Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beperkt, doch dat zij geen voorschrift bevat waardoor voor andere gevallen de grenzen van het begrip nauwkeurig worden bepaald;

dat echter uit den inhoud van art. 82 moet worden afgeleid, dat de wetgever bij het bezigen van de uitdrukking „zwaar lichamelijk letsel" zoodanige gevallen voor oogen heeft gehad, waarin het toegebracht letsel een blijvend gevolg van ernstigen aard heeft gehad, althans een zeer belangrijk nadeel heeft veroorzaakt, en dat uit dien hoofde het artikel niet toelaat voor andere dan de daarin omschreven gevallen de grenzen zoo ruim te stellen dat binnen dienzelfden kring zou vallen een letsel dat slechts geheel tijdelij ke gevolgen heeft gehad en dat, van den aanvang af, geen gevaar voor meer bedenkelijke gevolgen heeft opgeleverd;

O... dat een en ander medebrengt dat—nu de armbreuk, die het gevolg was van het door den gereq. gepleegd geweld, van betrekkelijk zoo weinig belang is geweest dat luidens de in het vonnis opgenomen verklaring van den deskundige die den verwonde heeft behandeld, „de gebroken ellepijp (ulna) ter plaatse van de breuk aaneengesloten was gebleven, zoodat hij, deskundige, den arm niet heeft behoeven te zetten, maar heeft kunnen volstaan met het leggen van een verband om den arm", en er alle vooruitzicht bestond dat „de gebroken arm over een week of vijf geheel hersteld zou zijn, zoodat de verwonde dan weder zijn gewoon werk zou kunnen verrichten", — de Rechtbank met juistheid heeft beslist dat de verwonde in den zin der wet niet kon geacht worden zwaar lichamelijk letsel te hebben geleden en alzoo terecht op het bewezen feit niet het 2e, maar het le lid van art. 300 Strafrecht heeft toegepast;

O. dat het middel van cassatie mitsdien is onaannemelijk; ,

Verwerpt het beroep;

De kosten te dragen door den Staat.

W. 5558.

S» HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 6 November 1916.

Art. 100 W. v. Str.

In de bepaling van art. 100, 1°. Swb. worden niet slechts strafbaar gesteld het verrichten van handelingen, strijdig met de verplichtingen door het volkenrecht aan den Nederlandschen Staat en de personen, die aan zijn gezag zijn onderworpen, opgelegd, indien deze heeft verklaard in een tusschen andere mogendheden gevoerden oorlog onzijdig te willen blijven, doch al zulke handelingen, welke die onzijdigheid in gevaar brengen, dat is het gevaar doen ontstaan, dat met die onzijdigheid door