Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vraag of de daarop gevolgde vrijspraak eene zuivere vrijspraak is, waartegen het gewoon beroep in cassatie is uitgestoten, hangt dus in de eerste plaats hiervan af, of de uitlegging door het Hof aan art. 100 Strafwetboek gegeven, de juiste is. Immers is die juist, dan bleek een in de dagvaarding opgenomen bestanddeel van het ten laste gelegde strafbaar feit, niet bewezen te zijn geoordeeld, doch is die uitlegging niet de ware, dan zou het Hof — vooropgesteld, dat de dagvaarding de woorden van art. 100 bezigde in denzelfden zin als dat art., — blijken, beraadslaagd en beslist te hebben, niet naar aanleiding van hetgeen werkelijk te laste is gelegd, doch naar aanleiding van eene lezing, die het ten onrechte voor het te laste gelegde heeft gehouden en zou dus in strijd met art. 211, in verband met 239 Strafv., eene rechtsgeldige beslissing betreffende het ten laste gelegde ontbreken en het beroep in cassatie ontvankelijk zijn, onverschillig hoe het dictum van het arrest moge luiden.

Indien 'sHofs opvatting van art. 100 Swb. door den Hoogen Raad mocht worden gehuldigd, zal onder de oogen moeten worden gezien, de voorlaatste overweging van het bestreden arrest, waarin de grondslag is gelegen van de gegeven vrijspraak. Het Hof overweegt daar, „dat de onzijdigheid van een Staat, naar de beginselen van het volkenrecht, niet medebrengt eenige beperking van de vrijheid dergenen die zich binnen zijn gebied bevinden, in het uiten van hunne gevoelens en meeningen, ook door middel van de drukpers". Van de juistheid dezer rechtskundige beschouwing toch zal afhangen, of op dien grond terecht kon worden aangenomen, dat de Nederlandsche regeering door eene oorlogvoerende partij niet terecht ter verantwoording kon worden geroepen, ter zake van den inhoud van een dagbladartikel. Immers bijaldien die beschouwing niet juist ware, zou blijken, dat het Hof geen onderzoek zou hebben gedaan en geene beslissing zou hebben gegeven, over de aan zijn oordeel onderworpen vraag, of door het in de dagvaarding omschreven dagbladartikel onze onzijdigheid in gevaar is gebracht, of voor dat artikel onze regeering al dan niet door eene oorlogvoerende partij terecht ter verantwoording kon worden geroepen. Eene rechtsgeldige vrijspraak zou onder die omstandigheden niet voorhanden zijn.

Het wil mij voorkomen, dat de Hooge Raad het onderzoek naar de waarde van deze rechtskundige beschouwing zelfstandig zal mogen instellen; ik meen mij echter van verdere beschouwingen daaromtrent te mogen onthouden, omdat naar mijne meening de uitlegging door het Hof aan art. 100 Swb. gegeven niet de juiste is. . In de eerste plaats zij dienaangaande opgemerkt, dat de woordkeus in dat artikel geenszins de enge opvatting in het bestreden arrest aangenomen, gebiedt. Dat zij die toelaat en bedoelt, wordt dan ook afgeleid uit eene zinsnede in de Memorie van toelichting.