Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat toch de onzijdigheid van een Staat naar de beginselen van het volkenrecht niet medebrengt eenige beperking van de vrijheid dergenen, die zich binnen zijn gebied bevinden, in het uiten van hunne gevoelens en meeningen, ook door middel van de drukpers;

dat derhalve de Nederlandsche Regeering door eene oorlogvoerende partij niet terecht ter verantwoording kan worden geroepen ter zake van den inhoud van een dagbladartikel, ook al mocht daarin over eene der oorlogvoerende partijen op eene niet waardige wijze de staf worden gebroken;

O. dat blijkens deze beschouwingen het Hof aan de in de dagvaarding gebezigde woorden „eene handeling waardoor de onzijdigheid van den Nederlandschen Staat in gevaar wordt gebracht", niet een feitelijke, in cassatie onaantastbare uitlegging heeft gegeven, doch die woorden in dezelfde beteekenis heeft opgevat, welke zij ook in art. 100 Strafr. hebben; "jt-tst

dat echter 's Hofs opvatting omtrent de beteekenis dier woorden in dat artikel niet juist is;

O. toch, dat zoowel de ruime bewoordingen, waarin voornoemd artikel 100 — voorkomende in den Titel over de misdrijven tegen de veiligheid van den Staat — is vervat, als de geschiedenis daarvan eene ruimere opvatting wettigen;

dat daarbij immers, in het eerste gedeelte van lid 1, niet slechts zijn strafbaar gesteld het verrichten van handelingen, strijdig met de ver-», plichtingen door het volkenrecht aan den Nederlandschen Staat en de personen, die aan zijn gezag zijn onderworpen, opgelegd, indien deze heeft verklaard in een tusschen andere mogendheden gevoerden oorlog onzijdig te willen blijven, doch al zulke handelingen, welke die onzijdigheid in gevaar brengen, dit is: het gevaar doen ontstaan dat met die onzijdigheid door een of meer der oorlogvoerenden geen rekening wordt gehouden en Nederland zijns ondanks in den oorlog wordt betrokken;

dat nu dit gevaar voorzeker mede aanwezig kan worden geacht, bijaldien handelingen van voornoemde personen in zoo ernstige mate de gevoelens of belangen eener oorlogvoerende mogendheid aantasten, dat deze daarin aanleiding kan vinden om den Nederlandschen Staat voor die handelingen aansprakelijk te stellen;

dat blijkens den inhoud der bij de totstandkoming van het artikel gewisselde .stukken bij de strafbaarstelling ook ongetwijfeld aan die mogelijkheid is gedacht, zijnde toch eenerzijds in de Memorie van Toelichting betoogd, dat, ook indien de Regeering alles doet wat in haar vermogen is om de door een particulier gepleegde vijandige handelingen te voorkomen en den bewerker daarvan te straffen, die daad, „toch voor den Staat gevaarlijk (blijft) èn wegens de moeilijkheid, die de Regeering ondervindt om ten genoege der oorlogvoerende mogendheden hare onschuld in bet licht te stellen èn wegens de gevaren, waaraan men

14