Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blad verschillende tusschenpersonen kunnen werkzaam zijn, en men dus zeer goed zoowel van de schrijfster, die het geschrift aan den redacteur ter hand stelde, als van den redacteur, die de verdere voor de plaatsing noodige maatregelen neemt, kan zeggen dat zij het stuk doen opnemen;

dat dus ten onrechte bij het middel wordt beweerd, dat omdat deze woorden in de bekentenis der requirante van den redacteur gebruikt zijn, hieruit zou volgen dat de requirante niet bekend had ook zelve het stuk te hebben doen opnemen;

O. met betrekking tut het derde middel:

dat het aan de requirante ten laste gelegde feit bestond in opruiing, terwijl het doen opnemen in een openlijk verspreid blad alleen vermeld wordt als het middel, hetwelk zij zou hebben gebruikt om dat feit te plegen;

dat waar het strafbare feit dus niet bestond in het doen opnemen zelf, niet behoefde te worden opgegeven, door wiens tusschenkomst de opneming geschied is, en evenmin onderzocht, of deze persoon zelf strafrechtelijk aansprakelijk was;

O. met betrekking tot het vierde middel:

dat ook dit moet worden verworpen op denzelfden grond als het voorgaande, t.w. dat het aan de requirante ten laste gelegde feit bij de dagvaarding was omschreven als opruiing;

dat toch in dit woord ligt opgesloten het opzet, dat is het willens en wetens aanhitsen tot strafbare feiten, en dan ook in art. 131 Strafrecht het woord opzet of opzettelijk niet gebezigd wordt omdat de wetgever van oordeel was dat het opzet reeds vanzelf door het woord opruiing wordt uitgedrukt (Mem. v. ToeL, Alg. Besch. § 5);

O. met betrekking tot het vijfde middel:

dat bij het in eersten aanleg gegeven vonnis te recht uit de geheele strekking van het stuk, gelijk meer in het bijzonder blijkt uit den titel in verband met verschillende bij het vonnis aangehaalde zinsneden, wordt afgeleid, dat het geschrift bevat eene aansporing om zich te wapenen op voor het publiek toegankelijke plaatsen, en om zich gewapend met vereenigde krachten te verzetten tegen de overheid, dat is tegenover hen, die door de overheid zijn aangesteld tot handhaving van de wet, en die dus zijn in de rechtmatige uitoefening hunner bediening;

dat mede te recht is aangenomen, dat deze feiten strafbaar zijn gesteld bij de wet van 9 Mei 1890 (StbL n°. 81) en bij de artt. 180 en 182 Strafrecht, terwijl de beslissing des rechters, dat de requirante de bedoeling had om tot het plegen van zoodanige feiten aan te sporen is van feitelijken aard, en als zoodanig in cassatie behoort geëerbiedigd te worden;

dat al de middelen derhalve zijn ongegrond: Verwerpt het gedaan beroep in cassatie.

W. 7898.