Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De grief is tweeledig. Eerstens zou het wederrechtelijk binnendringen niet voldoende met redenen omkleed zijn en daarnaast zou uit geen enkel bewijsmiddel blijken, dat eene woning binnengedrongen is.

In beide geledingen acht ik het verweer ongegrond. Het wederrechtelijk binnendringen toch is blijkbaar afgeleid uit de erkentenissen, door requiranten ieder voor zich afgelegd, houdende: „dat zij, op 2 Oct. 1913, te Muiden, te zamen de woning van getuige J. B., welke woning bij dezen en diens gezin in gebruik was, zijn binnengegaan door eene deur van den van die woning deel uitmakende paardenstal, nadat beklaagde P. het gesloten hangslot, waarvan die deur was voorzien, met een sleutel had geopend en zij de bewoners deze hadden zien verlaten en zonder van getuige B. of van een der leden van diens gezin tot gemeld binnengaan het recht te hebben gekregen", welke erkentenissen bevestigd werden door getuige B.: „dat hij aan geen der beklaagden het recht heeft gegeven op 2 Oct. zijne te Muiden gelegen woning, welke bij hem en zijn gezin in gebruik was, binnen te gaan" en van diens echtgenoote, voor zoover hier van belang: „dat de voordeur der woning bij haar vertrek was gegrendeld en de pinnen op de ramen waren, terwijl zij de deur van den paardenstal, die van de woning deel uitmaakt, met een hangslot door middel van een sleutel sloot en zij aan geen der beklaagden het recht heeft gegeven op 2 Oct. jl. in die woning te komen".

Nu voeren requiranten hiertegen wel aan, dat naast hun gemis aan recht, ook van B.'s recht van gebruik had moeten blijken, doch, waar zij diens recht van gebruik niet hebben betwist en hun beweerd beter recht, zich daarbij beroepend op eene vergunning voor het betreden dier woning van een medehuurder, verworpen is, kon en mocht aan de uit bovenstaande bewijsmiddelen geputte aanwijzingen, wier kracht in cassatie onaantastbaar is, het bewijs van het wederrechtelijk binnendringen worden ontleend.

Het tweede onderdeel komt verkort hierop neer, dat een paardenstal en eene werkplaats geen woning is. In hare algemeenheid behoeft deze

stelling geen bewijs en ik ga er volkomen mede accoord. Maar voor het onderwerpelijk geval is deze oplossing niet beslissend, daar slechts de vraag beantwoord dient, of tusschen den paardenstal en de werkplaats eenerzijds en het overig deel der woning anderzijds zoodanig plaatselijk verband bestaat, dat het geheel als woning in strafrechtelijken zin, mag worden aangemerkt. Waar nu requiranten, gelijk boven reeds tekstueel vermeld, erkenden, dat zij de woning zijn binnengegaan door eene deur van den van die woning deel uitmakenden paardenstal, hetgeen getuige de M. bevestigde, terwijl getuige de K. daaraan nog toevoegde, dat hij de beide requiranten aantrof in de met de woning een geheel vormende werkplaats, kon en mocht ook daaruit het binnendringen der woning worden afgeleid, omdat de sedes familiae in dat gebouw als geheel was gevestigd, ook al hadden onderdeelen daarvan eene biizondere be-