Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemming. Wie slechts eenigszins met de inrichting van boerenhuizingen bekend is, waarmede de onderwerpelijke, blijkens de beschrijving daarvan in het dossier, volkomen identisch is, zal zich over deze beslissing van den feitelijken rechteral everirnin verwonderen als over diens vonnissen waarbij geregeld herberglocaliteiten als deel der woning van den topper worden aangemerkt.

Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep. De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, namens de requiranten voorgesteld bij memorie: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende dat bij het vonnis der Rechtbank, met qualificatie en strafoplegging als hierboven is vermeld, ten laste der requiranten is bewezen verklaard, zulks overeenkomstig de aanklacht:

dat zij op 2 Oct. 1913 te Muiden te zamen en in vereeniging de gesloten woning van J. B., welke wening bij J. B. en diens gezin in gebruik was, door een deur van den daarvan deel uitmakenden paardenstal, welke deur met een door een sleutel afgesloten hangslot door C. de M., huisvrouw van J. B., gesloten was, na opening van dat slot wederrechtelijk zijn binnengedrongen;

O. dat het eenig middel van cassatie, blijkens de toelichting, er het Hof een grief van maakt, dat dit voormeld vonnis heeft bevestigd, ofschoon dit niet, althans niet voldoende, was gemotiveerd:

V. wat het wederrechtelijke binnendringen betreft, wijl immers uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid:

a. dat B. zelf het recht had het gebouw, waarin de requiranten zijn binnengedrongen, te gebruiken;

b. dat de requiranten niet tot het binnendringen in dat gebouw waren gerechtigd;

2°. wat het binnendringen in een woning betreft, vermits een woning in den zin van art. 138 Strafr. is een plaats bestemd of gebruikt tot het leiden van het intiem huiselijk leven, en de bewijsmiddelen, welke alleen spreken over een paardenstal en een werkplaats dus niets inhouden omtrent een woning in bovenbedoelden zin;

O. ad lom:

dat art. 138 Strafr., straf bedreigende tegen hem, die in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt, beoogt het huisrecht van dien ander, hetwelk hij ontleent aan de feitelijke bewoning, te beschermen; . .

dat de vraag of die bewoning geschiedt krachtens eenig recht daarbij niet van belang is, zoodat de eisch, in het middel sub a gesteld, dat uit de motiveering van het bestaan van zoodanig recht bij B. zoude moeten blijken, geen steun vindt in de wet;

O. omtrent het sub b aangevoerde: