Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vernietigde met betrekking tot de subsidiaire aanklacht, die alsnu, met dien verstande, dat het feit werd geacht gepleegd te zijn op 14 April 1915, met de schuld van beklaagde daaraan, rechtsgeldig bewezen werd verklaard, hetgeen leidde tot zijne veroordeeling wegens: „In het besloten erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk vertoevende, zich niet op de vordering van wege den rechthebbende aanstonds verwijderen", in eene geldboete van een gulden subsidiair een dag hechtenis.

Als verweer is gesteld: 2. „Schending, of verkeerde toepassing, van art. 138 j°. art. 1 Strafr., door den beklaagde schuldig te verklaren aan: „In het besloten erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk vertoevende, zich niet op de vordering van wege den rechthebbende aanstonds verwijderen" en dat, terwijl de Israëlitische begraafplaats geen besloten erf in den zin van art. 138 Strafwetboek is.

3. Schending, of verkeerde toepassing, van de artt. 211,221,239 en 246 Strafv., in verband met art. 138 Strafwetboek, omdat het arrest niet voldoende met redenen is omkleed zoowel ten aanzien van het element „besloten erf" — wat de Israëlitische begraafplaats niet is — als ten aanzien van het element „rechthebbende", die bevoegd zou zijn den toegang tot de begraafplaats te verbieden."

. Tusschen de materie van het tweede middel en het eerste lid van het derde bestaat een zoo nauw verband, dat gelijktijdige bespreking van beiden noodzakelijk is.

Uit de getuigenverklaringen, waarop recht is gedaan, blijkt, dat het Israëlitische kerkhof te Utrecht van de belendingen en den openbaren weg door heggen, muren en een hek is afgescheiden en dat zich daarop als accessoir dier begraafplaats bij den ingang een reinigingshuis bevindt. De vraag rijst nu, of uit de daaraan ontleende aanwijzingen het bewijs kon en mocht worden geput, dat dit kerkhof een besloten erf is in den zin van art. 138 Strafr., waarbij zich dan tevens deze andere opdringt, of in het bijzonder eene begraafplaats wel die qualificatie verdient.

Raadpleegt men van Dale (Ned. Woordenboek), dan is het pleit spoedig beslist. Gelijk vroegere edities aantoonen, schijnt eertijds met „erf" uitsluitend te zijn gedacht aan de aanhoorigheid eener woning; doch langzamerhand is dit begrip, naar latere uitgaven, gedijd tot: „afgesloten ruimte'', „grondgebied".

Reeds bij de samenstelling van het Wetboek van Strafrecht is met dezen groei gerekend. In de artt. 311 en 312 toch is niet volstaan met te spreken van „besloten erf", doch wordt telkens gevonden „beslotenerf waarop een woning staat", waaruit mag worden afgeleid, dat de wetgever zich een erf ook zonder woning gedacht heeft. Bezigt hij mitsdien dat begrip, gelijk in art. 138, op zich zelf en zonder daaraan tevens uitdrukkelijk het vereischte van „woning" te verbinden, dan verplicht noch de etymologie, noch de verschillende woordkeuze der wet tot eene beperkte uitlegging, doch veeleer tot ruimere opvatting.