Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hiermede is de geschiedenis in volkomen harmonie. Op het voorbeeld van België wilde men voorzien in de leemte van art. 184 van den Code Pénal, die alleen het door een ambtenaar onwettig binnendringen in eene woning strafbaar stelde (Smidt, I, blz. 80) en ten slotte kwam men er toe eene redactie te aanvaarden, waarhij niet enkel het vereischte van aanhoorigheid eener woning werd losgelaten, doch kennelijk werd gerekend met een elastische uitdrukking „das befriedete Besitzthum" van art. 123 van het Duitsche Strafwetboek. Dit treedt aan het licht door het verslag der Commissie van Rapporteurs (t.a.p. blz. 83), waaruit ik aanstip, dat de rechtsgrond der strafbaarstelling moet worden gezocht in de „schending van het regt van anderen op het ongestoord bezit van afgesloten erven, schending van hetgeen het Duitsche wetboek zeer juist befriedetes Besitzthum noemt". En wanneer ik nu hieraan nog toevoeg, dat de Regeering kennelijk dit inzicht deelde en zich niet daartegen verzette (t.a.p., blz. 85), mag ik zonder overdrijving vaststellen, dat de ratio van art. 138 niet gericht is op bescherming tegen gevaar of schrik der bewoners, doch uitsluitend tegen „overschrijding van eens anders regt; het zich bevinden op eene plaats waar men geen regt heeft zich te bevinden" (t.a.p., blz. 83). Maar daarmede verdwijnt dan ook voor „erf" de eisch van woning als middelpunt der aanhoorigheid en geniet het van art. 138 Strafr., ook indien het een kerkhof is, mits het slechts „besloten" zij. (Vgl. echter Noyon, 3e druk, II, blz. 141).

Aan dit laatste criterium voldoet de Israëlitische begraafplaats' te Utrecht werkelijk ruimschoots. Heggen, muren en een hek immers scheiden haar af van den openbaren weg en andere belendingen, zoodat tevergeefs over onvolledige motiveering wordt geklaagd, daar de aanwijzingen voldoende waren ter constructie van het gevorderd bewijs.

Rest dus nog het verwijt, dat de beslissing geen genoegzame gronden inhoudt met betrekking tot het element „rechthebbende", die bevoegd is den toegang tot het kerkhof te verbieden.

Blijkens de mondelinge toelichting wordt niet zoozeer gedoeld op het feitenmateriaal, dan wel hierop, dat in het algemeen de toegang tot eene begraafplaats voor nabestaanden van afgestorvenen rechtens openstaat en plechtigheden, waartoe men is uitgenoodigd, ongehinderd moeten kunnen worden bijgewoond, welke stelling het Hof heeft afgewezen.

Ik zal mij niet in ethische beschouwingen begeven, die voor den rechter waardeloos zijn, doch alleen de nuchtere vraag stellen, waarop dit systeem van requirant is gebouwd. En dan moet het mij van het hart, dat het mij niet gelukt is eenig artikel op te sporen, dat slechts in de verte zou duiden op een recht, als deze voor zich opeischt. Alleen misschien zou hiertoe kunnen dienen de Regeeringsverklaring bij de vaststelling van art. 41, 12° der Begrafeniswet, waarin aan de Eerste Kamer gezegd wordt: „De toegang tot de begraafplaats moet voor hen, die de graven hunner naastbestaanden of vrienden willen bezoeken, vrij zijn", doch