Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ciation de malfaiteurs envers les personnes ou les propriétés" " (art. 265 C. P.), wat juister zoude zijn uitgedrukt door: „eene vereeniging die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven waardoor de veiligheid van personen of goederen wordt aangerand";

dat nu de beperking tot sommige categorieën van misdrijven, die opgesloten ligt in de laatste woorden, later wel verviel op verlangen van de Commissie van Rapporteurs der Tweede Kamer, maar dat daardoor geen verandering werd gebracht in het vereischte, dat eene vereeniging, om de deelneming daaraan ingevolge art. 140, le lid, strafbaar te doen zijn, evenals de association de malfaiteurs", moet zijn op-of ingericht om misdrijven, zij het dan ook niet bepaald meer in het wetboek omschreven misdrijven te plegen;

O. mitsdien, dat het door den req. voorgestelde middel is ongegrond;

II. op het beroep der mede-requiranten:

O. dat bij het ter ondersteuning daarvan voorgestelde middel wordt beweerd, dat de daarbij aangehaalde artikelen zijn geschonden:

3°. doordien het Hof — ten onrechte aannemende dat de middelen die krachtens de motie door den Bond zullen worden aangewend, ongehoorzaamheid aan, of overtreding van de wetten zullen in het leven roepen en dus strijdig zijn met de openbare orde — de wet van 22 April 1855 (Stbl. no. 32) toepasselijk acht, die de middelen geheel onvermeld laat, maar alleen van „het doel" het al of niet strafbare afhankelijk maakt;

4°. doordien het Hof heeft voorbijgezien dat in de motie tot geen enkel bepaald strafbaar feit wordt aangespoord en de verplicht stricte uitlegging van de strafwet den rechter niet toelaat bij de toepassing gebruik te maken van abstracte redeneeringen en gevolgtrekkingen, om daaruit strafbare feiten als ten laste gelegd aan te nemen, zijnde zelfs in casu door het Hof geen enkele wet genoemd, waaraan de ongehoorzaamheid of waarvan de overtreding zou zijn bedoeld geworden;

5°. doordien het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de inhoud der motie in de bewoordingen waarin die is gesteld, de vereeniging maakt tot eene welke strijdig moet worden geacht met de openbare orde;

Wat aangaat den 3n, 4n en 5n grond:

O. dat deze, als alle betreffende de qualificatie, door het Hof aan de bewezen verklaarde feiten gegeven, vatbaar zijn voor gezamenlijke behandeling;

O. daaromtrent: dat het Hof met juistheid heeft beslist, dat eene vereeniging, die als einddoel beoogt niet de hervorming of verandering van bestaande toestanden langs wegen, door de Grondwet of de wet aangewezen, maar „de omverwerping der bestaande maatschappelijke orde met alle haar ten dienste staande" — ook „onwettige" en „gewelddadige" — „rniddelen", uit haar aard is eene met de openbare orde strijdige vereeniging, bepaaldelijk eene zoodanige, die valt onder de omschrijving van art. 3, sub 1°., der wet van 22 April 1855 (Stbl. no. 32);