Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgehelderd was, te zijnen bezware tot klaarheid kan brengen; dat een en ander nog te meer klemt bij de andere vragen, welke krachtens genoemd art. 52 kunnen worden gedaan, met name die naar de woon- of verblijfplaats; dat dan ook de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de geest van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zich er tegen verzet, dat, ten opzichte der hier bedoelde vragen, een wettelijke antwoordplicht, onder bedreiging der bij art. 184 Sr. bepaalde straffen, zou zijn geschapen;

dat voorts Hof en Rechtbank, ieder voor eigen zienswijze, een argument hebben geput uit art. 435, 3° Sr., volgens hetwelk met een geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden wordt gestraft hij, die door het bevoegd gezag naar zijn naam gevraagd, een valschen naam opgeeft;

dat die wetsbepaling eerder de conclusie van de Rechtbank dan die van het Hof schijnt te steunen, doch dit punt verder onbesproken kan blijven, omdat argumenten als deze toch nimmer meer dan aanvullende beteekenis kunnen hebben;

O. dat mitsdien het cassatiemiddel gegrond is en het bestreden arrest, voorzoover daarbij het vonnis der Rechtbank is vernietigd en een veroordeeling is uitgesproken, niet in stand kan blijven;

Vernietigt het bestreden arrest, doch alleen voorzoover daarbij het door de Rechtbank gewezen vonnis, wat het uitgesproken ontslag van rechtsvervolging betreft, is vernietigd, het bewezene is gequalificeerd en deswege straf is opgelegd, en

Rechtdoende krachtens art. 105 R. O.:

Bevestigt het vonnis der Rechtbank ook voorzoover het bij het bestreden arrest is vernietigd.

Ned. Jur. 1927, bl. 926.