Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezindheid in handen van den President den eed had afgelegd van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, gehoord in een procedure tot ondercurateelestelling van M. H. G. T., mondeling, persoonlijk, opzettelijk eene valsche verklaring onder eede heeft afgelegd, door te verklaren: In 1916 heb ik ƒ 2500 aan den heer G. T., ter leen gegeven, waarvoor op 24 Maart 1916 door hem een accept is afgegeven, welk accept tot in 1918 telkens is verlengd onder bijbetaling van rente; O. ten aanzien van het derde middel en voor zooveel noodig ambtshalve:

dat het Hof het daarin omschreven verweer heeft ter zijde gesteld, op grond dat zoowel uit de woorden als uit de geschiedenis van de totstandkoming van het laatste lid van art. 1 der wet van 17 Juli 1911 (Stbl. no. 215) volgt, dat de getuige vrij is om zich op den ritus van zijn kerkgenootschap te beroepen, als hij zich daartoe geroepen gevoelt, maar hij evenzeer vrij blijft om dit niet te doen en in dat geval met de in het eerste lid van dat artikel aangegeven wijze van eedsaflegging kan volstaan;

dat het Hof ten bewijze daarvan een beroep heeft gedaan op het gebruik van het woord „ontleent", dat zou wijzen op een opzettelijke vrijwillige handeling van den getuige en op een zinsnede in het regeeringsantwoord luidende „gelijk de Doopsgezinden ....... niet verplicht zijn

den eed af te leggen , zoo zullen de leden van andere Kerkgenootschappen bevoegd (en verplicht) zijn, den eed op een andere dan de wettelijk vastgestelde wijze te doen, indien de lidmaten dier Kerk zich volgens hun Kerkelijke leer tot een afwijkenden eedsvorm verplicht gevoelen", en op een uitlating van den Minister bij het debat in de 2de Kamer: „de Israëliet beroept zich, indien hij meent met gedekten hoofde den eed te moeten afleggen en een Voorzitter der Rechtbank van oordeel mocht zijn, dat het afleggen van den eed met gedekten hoofde niet geoorloofd is, op het laatste lid";

dat het Hof echter ten onrechte op grond van een en ander heeft aangenomen, dat een getuige omtrent de wijze van eedsaflegging niet gebonden zou zijn door den ritus van zijn kerkgenootschap;

dat immers vóór de invoering van de genoemde wet van 17 Juli 1911 de getuige verplicht was den eed af te leggen op de wijze zijner godsdienstige gezindheid;

dat de strekking van deze wet geenszins was in deze verplichting wijziging te brengen, doch enkel een noodtoestand op te heffen, ontstaan doordat — gelijk de Minister zich in de Memorie van Toelichting uitdrukt — de door het arrest van den Hoogen Raad van 23 Mei 1910 (W. no. 9000) gewijzigde jurisprudentie, aan ieder de vrijheid geeft om zich aan de verplichting tot het afleggen van den eed te onttrekken met een eenvoudig beroep op het feit, dat men voor hem, die niet tot een kerk of kerkgenootschap behoort of wiens kerk of kerkgenootschap geen door voorschrift of gebruik vastgestelden vorm van eedsaflegging