Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kent, ook geen bepaalden vorm van eedsaflegging in de wet vindt aangewezen;

dat dan ook uit hetgeen de Minister in de Memorie van antwoord verklaarde, volgt, dat hij den eed wenschte te handhaven, omdat hij juist in den eed, afgelegd volgens de godsdienstige overtuiging van hem die haar aflegt, meer waarborgen voor de waarheid der verklaring meent aan te treffen;

dat volgens het stelsel van het Hof deze waarborg bij de personen, wier kerkgenootschap tot eene van de gewone wijze van eedsaflegging afwijkenden eedsvorm verplicht, zoude komen te ontbreken, omdat deze in dat geval de gelegenheid zouden krijgen ter bevestiging hunner verklaring te volstaan met iets wat naar hunne overtuiging geen eed is;

dat de Minister verder naar aanleiding hiervan heeft verklaard, dat ook in de toekomst bij den vorm van den eed in de eerste plaats rekening moet gehouden worden met de leer van het kerkgenootschap, waartoe de getuige behoort;

dat uit het gebruik der uitdrukking „den plicht ontkenen" geen argument voor de stelling van het Hof kan worden geput, daar de Minister uitdrukkelijk verklaard heeft deze uitdrukking gekozen te hebben, omdat van hem niet verwacht kan worden, dat hij het wettelijk formulier alleen dan zou willen ter zijde gesteld zien, indien het kerkgenootschap uitdrukkelijk een andere wijze van eedsaflegging had voorgeschreven, maar omdat hij deze terzijdestelling, gepaard met de bevoegdheid en verplichting tot een anderen eedsvorm, ook dan reeds wenschte, indien de lidmaten eener kerk zich volgens hun kerkelijke leer tot een afwijkenden eedsvorm verplicht gevoelen, waarbij opmerking verdient, dat de Minister spreekt van de overtuiging der lidmaten dier kerk in het algemeen en niet van de persoonlijke overtuiging van den getuige;

dat ook uit hetgeen bij het debat in de 2de Kamer door den Minister is aangevoerd volgt, dat bij in geen enkel opzicht afstand wenschte te doen van den meerderen waarborg in den eed gelegen;

dat hij toch naar aanleiding van de vraag van Mr. van Idsinga: „Bedoelt de Minister dat personen, die een eed moeten afleggen — laten wij gemakshalve spreken van getuigen —• bevoegd zijn de eedsaflegging geheel overeenkomstig hun godsdienstige gezindheid te verlangen, of bedoelt bij dat zij daartoe verplicht zijn?" antwoordde: dat de rechter zonder dat hij zich aan eenigen norm te houden heeft de beslissing in handen heeft, waarop Mr. van Idsinga deze verklaring vastlegde met de woorden: „De Minister legt het zoo uit, dat het hier niet geldt louter een bevoegdheid maar dat wel degelijk een getuige verplicht zal kunnen

worden om volgens de wijze van zijne godsdienstige gezindheid den eed af te leggen";

dat nu weliswaar de Minister, een beeld gevende van de wijze, waarop hij zich de behandeling van eene uit deze bepaling voortspruitende