Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 231 W. v. STR. Zie H. R. 21 April 1913, No. 42.

ART. 237 W. v. STR. Zie H. R. 13 December 1899, No. 32.

ART. 242 W. v. STR. Zie H. R. 11 Januari 1904, No. 33.

ART. 245 W. v. STR. Zie H. R. 16 Februari 1914, No. 55.

ART. 250 W. v. STR. Zie H. R. 3 December 1906, No. 12.

74 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 9 December 1912.

Art. 261 W. v. Str.

Voor aanranding van iemand's eer is niet noodig, dat de beleedigde zich door hetgeen hem wordt te lastegelegd in zijn eergevoel acht aangerand.

Dit telastelegging kan iemand's eer in de oogen van anderen verminderen, onafhankelijk van de subjectieve gesteldheid van den beleedigde.

J. K., is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van den 6 Juli 1912 waarbij hij in hooger beroep, na vernietiging van een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Arnhem van 14 Mei 1912 is schuldig verklaard aan „smaadschrift" en deswege met toepassing van de art. 261 en 23 Strafr., is veroordeeld.