Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dit stellig niet het doel van hun handelen is geweest, immers hun doel was de gezochte misdadigers in handen te krijgen — maar dat ook allerminst is bewezen, noch door hun erkentenis, noch door de ter terechtzitting gebleken bovengeschetste omstandigheden, dat zij iemands dood verwacht en gewild hebben als noodzakelijk gevolg van hun schieten;

O. dat de Rechtbank op denzelfden grond tot dezelfde beslissing moet komen ten aanzien van het te laste gelegde opzet tot zware mishandeling, maar dat reeds om een andere reden van mishandeling en a fortiori van zware mishandeling hier geen sprake kan 'zijn;

O. toch, dat ook bet opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel geen mishandeling oplevert, indien de dader een geoorloofd doel nastreeft en bij de toepassing van de middelen tot bereiking van dat doel niet bewust de grenzen der redelijkheid overschrijdt;

O. dat nu de politiemannen ongetwijfeld een geoorloofd doel, het opsporen en gevangennemen van verdachten, nastreefden;

dat zij wèl bij het kiezen van hun middelen, naar het oordeel der Rechtbank, inderdaad buiten de redelijke grenzen zijn gegaan;

dat zij toch, door alleen op het geschreeuw, dat zij achter de deur hadden gehoord en op het onophoudelijk bonzen op die deur, hetwelk zij al te voorbarig voor schieten hielden, na het invallen van een paneel zooveel revolverschoten in de richting van de deur te lossen, stellig overijld en onbezonnen hebben gehandeld en zich niet hebben gedragen, zooals van rustige en voor hun vaak moeilijke taak berekende politiemannen mag worden verwacht, ook tegenover gewaande misdadigers;

dat dit in het bijzonder geldt voor den inspecteur, op wien als meerdere in rang de verantwoordelijkheid rustte en die, door het eerst te schieten, het voorbeeld voor den aanval heeft gegeven, doch ook voor den agent S., die uit eigen beweging de revolver uit handen van d. H. heeft overgenomen en die daarna drie, wellicht meer, schoten, alle in de richting van de deur heeft gelost en wiens kogel den ongelukkigen Ambrosius heeft getroffen;

dat echter dit alles niet wegneemt, dat, nu beide beklaagden — wat de Rechtbank aanneemt — overtuigd waren in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hun vuurwapens te mogen gebruik maken en tot behoorlijke uitvoering van hun politietaak te mogen en te moeten handelen, zooals ze gehandeld hebben — al hebben ze in die meening gefaald — hun daden niet als bewuste mishandeling kunnen worden gequalificeerd en die daden niet vallen onder het bij dagvaarding genoemde opzettelijk, dat is moedwillig, toebrengen van letsel, in het midden gelaten of de dood van Ambrosius aan de schuld van een van beklaagden zou kunnen worden geweten;

O. dat dus noch de doodslag of de zware mishandeling, aan S. te laste gelegd, noch de aan M. te laste gelegde poging tot een dezer beide mis-