Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drijven, noch ook de in de telastelegging van S. begrepen mishandeling, den dood tengevolge hebbende, zijn bewezen;

Rechtdoende:

Spreekt beklaagde vrij.

Ned. Jur. 1925, bl. 1175.

79 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 11 Febr. 1929.

Art. 300 W. v. Str.

Niet alleen het veroorzaken van „pijn", doch ook het opwekken van ander lichamelijk leed dd. van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam, kan onder omstandigheden mishandeling opleveren.

R. M. is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 October 1928, waarbij in hooger beroep is bevestigd een mondeling vonnis van den Politierechter te Assen van 25 April 1928, bij welk vonnis de requirant wegens mishandeling is veroordeeld.

De Hooge Raad, enz.,

Gehoord het verslag van den Raadsheer van Dijck; Gelet op de middelen van cassatie door den requirant voorgesteld bij schriftuur:

II. Schending, althans verkeerde toepassing van de artt. 1 en 300 Sr. in verband met de artt. 350, 351, 358 en 359 Sv., doordat het Hof het vonnis van den Politierechter bevestigde, waarbij het bij dagvaarding ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit strafbaar werd geoordeeld.

III. Schending, althans verkeerde toepassing van de artt. 350, 351, 358, 359, 415 en 423 Sv., vermits het Hof over de strafbaarheid van den verdachte niet op den grondslag van de dagvaarding heeft beraadslaagd en beslist.

O. dat bij het bevestigde vonnis van het den requirant in prima te lastgelegde is bewezen verklaard, dat hij te Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen op 27 Maart 1928 opzettelijk met geweld Lambert Hooyer in een kanaal heeft geduwd, welke Lambert Hooyer dientengevolge geheel nat en koud is geworden derhalve lichamelijk leed heeft ondervonden;

O. met betrekking tot het tweede en derde middel:

dat ter toelichting van het tweede middel is aangevoerd, dat het telast