Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat deze feiten ten laste van den req. zijn bewezen verklaard met dien verstande, dat de toeëigening heeft plaats gehad op 2 Juli 1891, het bedrag van de opbrengst der coupons was ƒ 466,07 en dat de req. voormeld bedrag ten eigen bate heeft aangewend;

O. wat betreft het eerste middel, dat ter ondersteuning daarvan onder meer is aangevoerd, dat hier ontbreekt een der vereischten van verduistering volgens art. 321 Strafrecht, vermits de req. zich de opbrengst der coupons hem door den heer L. ter verzilvering ter hand gesteld, niet „wederrechtelijk" heeft toegeëigend;

O. daaromtrent, dat volgens de feitelijke beslissing van het bij het bestreden arrest bevestigde vonnis vaststaat, dat de req. op 29 Juni 1891 ter beurze te Amsterdam van den heer L. heeft overgenomen eene partij coupons, met de opdracht om deze te verzilveren en de opbrengst mede ter beurze op 2 Juli d. a. v. aan zijn lastgever ter hand te stellen; dat hij aan deze opdracht ten deele heeft voldaan, daar de coupons op zijn last door zijn bediende, den get. B., zijn verkocht bij de firma S. en P., terwijl de koopprijs tot een bedrag van ƒ 466,07 door den bediende afgegeven is aan zijn patroon, die echter in gebreke is gebleven dit bedrag volgens afspraak op 2 Juli 1891 ter beurze aan zijnen lastgever te verantwoorden;

O. dat de gegrondheid van het eerste middel van cassatie afhankelijk is van het antwoord, te geven op de vraag, of de req., de opbrengst der coupons in zijn eigen kas stortende, om deze, gelijk mede feitelijk is beslist, ten eigen bate aan te wenden, door er een zijner schuldeischers mede te betalen, zich de opbrengst wederrechtelijk heeft toegeëigend;

O. dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, vermits de req. rechtmatig eigenaar werd van het geld of geldswaardig papier, als opbrengst der coupons op zijn last en voor zijne rekening door zijnen bediende aan de firma S. en P. verkocht, behoudens zijne contractueele verplichting tegenover zijnen lastgever om aan dezen den voor de coupons gemaakten prijs te verantwoorden;

O. dat hieruit volgt, dat de opbrengst der coupons niet was eens anders goed, en mitsdien ook van wederrechtelijke toeëigening van dit goed ten deze geen sprake kan zijn, zoodat art. 321 Strafrecht op de bewezen feiten niet van toepassing is, terwijl deze ook niet vallen onder eene andere wettelijke strafbepaling;

dat derhalve het eerste middel is gegrond;

Vernietigt het arrest door het Gerechtshof te Amsterdam op 19 April 1892 in deze zaak gewezen;

Uit kracht van art. 105 der wet op de R. O. en het beleid der justitie ten principale recht doende op het bestaande hooger beroep;

Gelet op de artt. 216, 239, 247, 249 en 370 Strafvord.;

Vernietigt mede het vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam op 10 Maart 1892 in deze zaak gewezen;