Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelieve te betalen aan S. W. of order, de somma van zes honderd een en vijftig gulden, zeven en twintig centen: zegge ƒ 651.27 (onderteekend) S. den O."

Deswege veroordeeld in eene gevangenisstraf van een jaar en dne maanden onder aftrek van een deel van het genoten voorarrest en deze beslissing, waarbij dit bewezene werd gequalificeerd als: „Oplichting, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verkopen sedert de schuldige eene tegen hem wegens diefstal uitgesproken gevangenisstraf geheel heeft ondergaan", bevestigd ziende bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, van 1 Juli 1920, heeft hij gemeend bij pleidooi het navolgend middel van cassatie te moeten doen voorstellen: „Schending van art. 326 Strafr., door het bewezen verklaard feit te qualificeeren en te straffen als oplichting".

Reeds onder den Code Pénal gold als regel, dat een listige kunstgreep aanwezig is, zoodra iets geschied is om den leugen ingang te doen vinden, zóó, dat de bedrogene zich daartegen redelijker wijze niet wapenen kan. Dit stelsel werd door onzen strafwetgever overgenomen, immers bij Smidt, II, blz. 514, vind ik vermeld als Memorie van Toelichting op art. 354, thans art. 326: „Terwijl het listige kunstgrepen evenals het manoeuvres frauduleuses der Fransche wet de klem legt op de overredende kracht der gebezigde middelen, geschikt om den bij zijne handelingen in het maatschappelijk verkeer nadenkenden mensch te verschalken, is het niet slechts overtollig, maar zelfs in strijd met de beginselen waarop de bepaling steunt, in de wet nog eene bijzondere strekking dier kunstgrepen, in verband met de door den dader beoogde afgifte, aan te wijzen".

De vraag is dus, of onder de gebleken omstandigheden de afgifte der cheque als een listige kunstgreep mag worden aangemerkt.

Ik beantwoord haar toestemmend. Van dezen requirant toch staat vast, dat hij slechts enkele weken in relatie stond met de Utrechtsche Bankvereeniging, dat hij bij haar geen crediet genoot en dat zijne chèques, gelijk hem bekend was, slechts werden gehonoreerd, wanneer voldoende depót aanwezig was. Bovendien werd geconstateerd, dat zijn saldo altoos zeer gering was, dat bij even voor de afgifte der cheque ongeveer zijn geheele tegoed had teruggenomen en dat meermalen chèques onbetaald waren gebleven uit gebrek aan dekking. Voeg ik nu hieraan nog toe, dat de onderhavige cheque als volgnummer 2817 droeg, waardoor een druk geldelijk verkeer met de Utrechtsche Bankvereeniging werd voorgewend, terwijl overigens in het algemeen een cheque op een bepaalde bank relaties met die bank en dus zekere credietwaardigheid aantoont, omdat banken zonder depót geen chequeboekjes afgeven, dan lijkt het mij geoorloofd ondemerpeüjk een listigen kunstgreep aanwezig te achten, voornamelijk waar het Hof het verweer uitschakelde, dat andere motieven den benadeelde tot afgifte zouden hebben bewogen.

Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep.