Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat derhalve bijaldien, gelijk in deze vaststaat, tijdens het plegen dier mishandeling nog geen 5 jaren zijn verloopen sedert de schuldigverklaarde heeft ondergaan eene gevangenisstraf hem opgelegd wegens wederspannigheid eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebbende — misdrijf in art. 181 Strafr. omschreven — de strafbepaling van art. 300 ook krachtens art. 422 met een derde kan worden verhoogd, derhalve op dit strafmaximum van art. 300 twee verhoogingen van een derde kunnen worden toegepast; '

O. dat het gevoelen van het Hof ook in de geschiedenis der tot standkoming van bet Wetboek van Strafrecht geen steun vindt;

dat toch welke ook de redenen mogen zijn, die er toe hebben bewogen om bij het gewijzigd Regeeringsontwerp de artt. 328 en 329 (thans art. 304) uit art. 476 (thans art. 422) te lichten, uit deze weglating niet voortvloeit, dat de verzwarende omstandigheid van herhaling van misdrijf niet kan in aanmerking komen bij demishandelinggepleegdonderdeomstandigheden in art. 304 vermeld, doch hieruit alleen volgt, dat de verhooging van een derde op het strafmaximum van art. 300, niet op het verhoogd maximum van art. 304 Strafr. moet worden berekend;

O. dat het Hof door anders te beslissen, art, 422 in verband met de artt, 300 en 304 Strafr. heeft geschonden, en derhalve voor zoover het bestreden arrest zal moeten worden vernietigd;

Vernietigt het bestreden arrest, doch alleen voor zoover betreft de aan het bewezen verklaarde feit gegeven qualificatie;

Recht doende uit kracht van art. 105 R. O.:

Bevestigt ook ten dezen opzichte het vonnis den 11 April 1904 door de Arrond.-Rechtbank te 's-Gravenhage tegen den requirant gewezen;

Verwerpt overigens het beroep.

W. 8148.

ART. 424 W. v. STR. Zie H. R. 21 Mei 1900, No. 1. '

ART. 432 W. v. STR. Zie H. R. 27 Juni 1887, No. 23.