Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de bewezen verklaarde handelingen aan het vereischte van uitvoeringshandeling niet voldoen; dat wel, volgens die bewezenverklaring requirant H. alles in gereedheid heeft gebracht om het huis in brand te doen vliegen, doch de daad, welke als begin van uitvoering van de Landstichting zou kunnen gelden, de daad, welke zonder onverwachte gebeurtenis — b.v. het weigeren van het gaspistool, het niet vlam vatten van het met benzine gedrenkte goed, het zich niet voortplanten van het vuur ondanks het afgaan van het pistool, enz. — of wel zonder het ingrijpen van anderen — b.v. het wegslaan van de hand, welke zich naar het over het muurtje hangende touwtje uitstrekte, enz. — tot het in brand geraken van de woning of de zich daarin bevindende goederen zouden hebben geleid, in de bewezenverklaring niet ligt opgesloten en ook in de bewijsmiddelen niet is te vinden;

O. dat het Hof nu wel bewezen heeft verklaard, dat de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid alleen door de van H.'s wil onafhankelijke omstandigheid, dat hij in zijn misdadigen opzet werd verhinderd vóór het vuur door hem ontstoken was en het Hof met name heeft aangenomen, dat de aanwezigheid van menschen in de nabijheid van de woning van R. en van het muurtje, waarover het touwtje hing, H. heeft weerhouden aan het touwtje te trekken, en zelfs om zich ter plaatse te vertoonen, doch met dit laatste, onder de zich hier voordoende omstandigheden, juist is gegeven de afwezigheid van een daad van H., welke dicht genoeg bij de voltooiing stond om als een daad van uitvoering te kunnen worden aangemerkt;

dat voormeld gedeelte der bewezenverklaring alleen beteekenis heeft, wanneer — gelijk het Hof deed — het verrichten van een handeling, welke als begin van uitvoering van het misdrijf kan gelden, als bewezen wordt aangenomen; dat echter, nu het Hof het eerste gedeelte der bewezenverklaring ten onrechte als een begin van uitvoering van het misdrijf heeft beschouwd, het bewezene, ondanks het bewezen verklaarde betreffende de niet-voltooiïng van het misdrijf, geen strafbare poging tot het misdrijf van opzettelijke brandstichting oplevert;

O. dat uit het voorafgaande voortvloeit, dat ook het derde middel van G. gegrond is, zoodat het vierde middel van dezen requirant buiten onderzoek kan blijven;

O. dat het bestreden arrest derhalve niet in stand kan blijven;

Vernietigt het bestreden arrest, doch alleen voor zoover het bewezen verklaarde ten aanzien van ieder der requiranten strafbaar is geoordeeld, het bewezene is gequalificeerd, de requiranten deswege strafbaar zijn verklaard en aan requiranten straf is opgelegd, en

Recht doende krachtens art. 105 R. O.:

O. dat het bewezene ook niet elders met straf is bedreigd;

Ontslaat de requiranten van alle rechtsvervolging;

Verwerpt voor het overige het beroep.

W. 12731.