Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

u

JAARTALLEN.

1930. Het zonlicht valt in de stad, diepe smalle gangen van straten, slagschaduwen tegen de rechte wanden der wolkenkrabbers, rijen van zwarte, donkere, rechthoekige gaatjes, 10, 20, 30 boven elkaar, dat zijn de ramen. Kantige hoeken, loodrecht omhoog, platformen van daken, en daarop rijzen andermaal wanden vol rijen vierkanten, helle blinkende wanden, daaroverheen zijn de geknakte schaduwen van torenhuizen geslagen, daarachter rijzen de blokken steeds op. Vlakken komen samen in stompen hoek, slaan horizontaal om tot zolderingen, schuiven bijeen tot een vierkanten toren, rijzen honderden meters verder, zwart in de schaduw weer op en eindigen in de felle witte top van een bankgebouw, dat boven alles uitrijst als de brug van een slagschip boven de stalen forteressen der dekken, 's Nachts schijnt een stapeling van kubussen van binnen te branden, de straten lijken brandende witgloeiende goten. Een rond plein te New York. Automobielen. Menschen. Versteend op een hooge smalle zuil staart Columbus voor zich uit. Achter hem is het groote Central Park, boomen, gras. Maar recht voor hem rijst uit den grond op een kolossaal gebouw, op een onderstel

Sluiten