Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III

GYMNASIAST IN WARSCHAU

Veertig jaar later, in 1905, richtten Russische oorlogsbenden door een allervreeselijksten progrom in Bialystok een bloedbad aan:

„In de straten van mijn ongelukkige geboorteplaats wierpen woestelingen zich als wilde beesten met bijlen en ijzeren stangen op rustige burgers, wier eenige schuld hierin bestond, dat ze een andere taal spraken en een anderen volksgodsdienst beleden dan die barbaren. Om die reden sloeg men mannen en vrouwen, onmachtigen grijsaards en hulpeloozen kinderen de hersens in en stak hun de oogen uit

Men weet thans met zekerheid, dat de schuld lag bij een bende afschuwelijke misdadigers, die met de laagste en sluwste middelen, door het verspreiden van allerlei leugen- en lasterpraatjes, kunstmatig een feilen haat tusschen de verschillende volksstammen hadden gezaaid. Maar zou de ergste leugencampagne zóó vreeselijke vrucht hebben kunnen dragen, als de volken elkaar beter kenden, als er geen hooge en dikke muren tusschen

*) Zamenhof maakt veel gebruik van het woord (volks)stam, ook waar wij Westerlingen het woord volk zouden gebruiken. Dit hangt natuurlijk samen met de situatie in zijn vaderland. (Vgl. hoofdstuk I). — Vert.

Sluiten