Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI

IDEALISTISCH PROFEET

Na den dood van de moeder kwamen de kinderen Zamenhof hun vader, wiens hart zich verteederd had, veel nader. Groot was hun droefenis, want zij waren zeer gevoelig. Gemeenschappelijke rouw verbond allen met hem. Het verdriet en de herinnering aan de geliefde doode vereenigden hen in haar geest van liefde. Allen trachtten zij hun vader te troosten. Hij werd hun beste vriend. Die uit het nest waren gevlogen, trachtten zoo spoedig mogelijk weer in Warschau te komen wonen. De een na den ander keerde met vrouw en kinderen terug en hernam zijn plaats in den familiekring.

Zoo kwam ook Lodewijk in 1898 terug. Hij ging met de zijnen in een armoedige straat van het jodenkwartier wonen, Ulica Dzika, 9. Daar bleef hij tot den wereldoorlog. Als oogarts begon hij een zeer goedkoope praktijk. Zijn patiënten betaalden slechts veertig kopeken — sommigen zelfs niets. De Joden zijn heel zuinig en houden niet van schuldmaken. Gewone oogartsen evenwel vragen hooge prijzen. Zij wonen weelderig in rijke huizen. Daarom laten veel lijders aan oogziekten het liever op blindheid aankomen. Thans kwam een volksgeneesheer tot hen. Velen redde hij het gezicht. Spoedig was zijn wachtkamer van den morgen tot den avond gevuld. Hij werd een waar weldoener.

Sluiten