Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den mensch schuilt daarom niet in het vleesch, maar in den boozen, opstandigen wil, zij is een daad van ongehoorzaamheid tegenover het Goddelijk gebod. Het is door deze schuldige wilsdaad, dat de mensch aan de zinnelijke macht van het vleesch ten offer valt (ook Ambros i u s spreekt reeds van de concupiscentia), die hem voortaan als een „passio" beheerscht. Goddelijke genade, samenwerkend met 's menschen goeden wil, kunnen de redding, de verlossing brengen. Terecht spreekt Seeberg van „Augustinische Elemente" die reeds vóór Augustinus in de kerkelijke dogmatiek aanwezig zijn: de woorden en begrippen, waarom het straks aldoor zal gaan, zonde en genade, erfzonde en schuld, vinden alle bij Ambrosius hun plaats 1). Het Goddelijkoneindige staat in de Grieksch-Katholieke gedachtenwereld tegenover het menschelijk-eindige en sterfelijke, vergoddelijking van den mensch is het heetbegeerde ideaal, maar hier, in de Westersche wereld, is het de Goddelijke Wil, die botst met den menschelijken wil, is het de wet en de eer van den persoonlijken God, die worden geschonden door menschelijke ongehoorzaamheid, daarom: „Sünde und Schuld, Glaube und Busze, Vergebung und Erneuerung, Verdienst und Rechtfertigung — das sind die Grundprobleme der Frömmigkeit" a).

Wat langer staan wij bij Augustinus stil. Hei 1 er heeft het Katholicisme gekarakteriseerd als „complexiooppositorum"*).Datzou ook van Augustinus kunnen gelden. Hoeveel, hoe velerlei vereenigt deze geweldige denker niet in zijn persoon, wie kan zijn arbeid, zijn gedachten in enkele schoolsche definities vatten? Zoo loopt er dan ook niet door zijn zondeleer één vaste lijn, zij is integendeel uit verschillende elementen opgebouwd. Toch heeft H a r n a c k gelijk als hij meent dat deze „Reformator der Christelijke vroomheid" over de zonde dingen heeft gezegd, dieper dan het in zijn kerk ooit is geschied, ondanks de onduidelijkheden en tegenstrijdigheden, die er in zijn uitspraken blijven. Wat Augustinus aan waardevols in deze dingen heeft te bieden, heeft Harnack in enkele kernachtige woorden in zijn „Dogmengeschichte" samengevat 4). In het bijzonder in zijn strijd met het Pelagianisme heeft Augustinus ons zijn dieper-gravende zondebeschouwingen geschonken. P e 1 a g i u s rekende, rationalistisch en moralistisch, enkel met den opzichzelfstaanden mensch en diens individueele handelingen, verstond

*) Perüt Adam et in Ulo omnes perierunt. Voluntate arbitra sive ad virtutem propendemus sive ad culpam inclinamur. (Ambros., in Luc, VII; de Jac., I, i, verg. R. Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte *, II, S. 338 ff).

*) Seeberg, gec. w., S. 354.

*) F. Heiier, der Katholizismus, 1923, S. 621.

4) A. v. Harnack, Dogmengeschichte, IH4, S.71,72. „Wenn wir abendlandische Christen es nicht anders wissen als dasz sich die Religion zwischen den Polen Sünde und Gnade (Natur und Gnade) bewegt...., wenn wir glauben viel achtsamer auf das Wesen der Sünde sein zu mussen als auf ihre Erscheinungsformen (die Wurzelen ins Auge fassen, nicht die Abstufungen und Thaten), wenn uns die generelle Sündhaftigkeit als Voraussetzung der Religion feststeht, wenn wir von den eigenen Kraften nichts erwarten, wenn wir in dem Gedanken der Gnade

Gottes und des Glaubens alle Heilmittel zusammenfassen , so empfinden wir

mit dem Empfinden Augustin's, denken in seinen Gedanken, reden in seinen Worten."

Sluiten