Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noch de eenheid van het zedelijk leven, noen de eenheid der mensch heid, geloofde dan ook niet in een zondige natuur, maar meende, dat de zonde alleen kon bestaan in de geïsoleerde slechte daad, die door gewoonte zich versterkt en uitbreidt: vandaar het verwerpen van de erfzonde in zijn stelsel en alleen het aannemen van een „consuetudo peccandi", welke door de kracht van het voorbeeld invloed krijgt! Hij stond den vrijen wil in dezen zin voor, dat bij elke verzoeking, welke tot den mensch komt, de menschelijke wil vrij is met ja of neen te reageeren: daarom moest P e 1 a g i u s de genade dan ook wel geheel en al rationalistisch en moralistisch opvatten als de versterking van's menschen goeden wil door de leer en het voorbeeld van Jezus Christus. Tegenover dit atomisme in de zondeleer, waarin enkel van „peccata actualia" maar nooit van een zondigen habitus sprake kan zijn, heeft Augustinus zijn ongetwijfeld diepere gedachten gesteld.

Hij zocht het wezen der zonde in de superbia, in de amor sui, d.i. het zich-zelf-zoeken en zich-zelf-willen-zijn, in de trotsche rebellie van den mensch tegen zijn God: caput omnium peccatorum superbia est1). Adam is door deze daad van superbia — daad van zijn vrijen wil en daarom schuld! —uit den genadestand gevallen en zondaar geworden: onwetendheid, sterfelijkheid en zinnelijke begeerte (concupiscentia) beheerschen voortaan zijn natuur. Geen toevallige, voorbijgaande wilsbeslissing is dus deze eerste zonde, deze Adamszonde geweest, geen op zichzelf staande daad, die straks weer goed gemaakt kan worden, neen, zij is de vernietiging van een persoonlijke verhouding tusschen Schepper en schepsel, zij schendt 's menschen innerlijkste wezen, zij brengt hem in een bhjvenden zondetoestand, die evenwel ook blijvende schuld beduidt. Adam's zondige habitus is op zijn nakomelingschap overgegaan. In Adam is heel de menschheid een , massa perditionis" geworden, gedrukt door de „misera necessitas non posse non peccandi". Allen dragen den staat van Adam met zich: onwetendheid sterfelijkheid en de concupiscentia zijn aller deel. En ook de schuld van den eersten mensch legt zich op allen, die na hem komen. Zoo zijn zij allen kinderen van het verderf geworden en is de eenige redding van allen de Goddelijke genade.

Het religieus belangrijke, dat Augustinus ons in zijn zondeleer heeft gebracht is i°. het besef, dat het wezen der zonde schuilt in denboozen, opstandigen,hoovaardigen, menscheüjken wil, die tegen Gods Wil zich verzet: superbia is haar wezen, en als zoodanig is zij schuld, 2 . de uitspraak, dat de zonde niet slechts betrekking heeft op opzichzelfstaande daden, maar een gesteldheid, een toestand is, achter alle daden zich uitstrekkend over heel het menschelijk wezen, en 3°. de wetenschap, dat de zonde in dezen zin van „niisera necessitas non posse non peccandi met maar de droeve staat is van enkelen of meerderen, maar allen aankleeft, niemand uitgezonderd. Te betreuren is het echter.dat deze gedachten, die in den strijd tegen P e 1 a g i u s es. zijn gevormd, veel van hun zuiverheid verloren hebben, doordat zij doorkruist worden door beschouwingen over de concupiscentia, de vleeschekjke lust, die

*) In Joh., as, 16.

Sluiten