Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijft een redelijk wezen, het vermogen om het goede, te willen is zeer verzwakt maar niet uitgedoofd. De genadeleer wordt verbonden met de noodzakelijkheid, verdienstelijkheid en mogelijkheid der goede werken.

5° Augustinus had achter de zonden naar de zonde, den zondigen habitus gezocht en dezen als de bron van het verderf geteekend. Uit de zeven hoofdzonden was door hem de menschelijke trots als de eigenlijke zonde uitgelicht. De Scholastiek (Duns Scotus b.v.) gaat den klemtoon weer sterker op de peccata actualia leggen; het biechtwezen schenkt hun weer bijzondere aandacht, de casuïstiek eveneens; de verdienstelijkheid der goede werken, de aflaat en de boete kunnen den zondigen mensch zijn schuld vergeven en zonde afnemen, maar met dat al blijft den Christen het heen-en-weer geworpen worden tusschen hoop en vrees: onzekerheid blijft. —

Achter de Roomsche zonddeer liggen — wij wezen reeds daarop — Godsvoorstellingen van een bepaald karakter. H o 11 l) meent dat vanaf de dagen van T e r t u 11 i a n u s de kerk een dubbel Godsbegrip bezat- het phüosophische en neoplatonisch-gekleurde: God de transcendente, in zich zelf rustende, èn het meer persoonlijke: God, Die een persoonlijke verhouding tot de menschen heeft. We sprakener reeds van, hoe Augustinus' zondeleer zeker onder invloed van dit dubbele Godsbegrip verstaan moet worden. Toch meen ik, dat wij den invloed van dit philosophisch Godsbegrip in de ontwikkeling der Westersche kerk niet al te groot moeten achten2): de Godsvoorstelling der Roomsche kerk naAugustinus is vooral die van den hemelschen Rechter, Wiens wil gehoorzaamheid en „humilitas" verlangt, en -die „das himmlische Kontobuch führt und je nach dem Soll und Haben den Menschen den Himmel gibt oder die Holle" «). Het zijn juist hun andere, diepere Godsvoorstellingen, waardoor ook het zondebesef der Reformatoren op geheel andere wijze is gekleurd. § 2. Reformatorische Zondeleer.

Om L u t h e r 's gedachten over zonde en schuld te verstaan, gaan wij uit van zijn Godsbegrip. K a r 1 H o 11 heeft dit in zijn Lutherstudie op suggereerende wijze geschetst. In het klooster, waar de kerkeHik voorgeschreven vroomhèid hem niet verder brengt, is God voor Luther geworden de Heilige, de Onweerstaanbare, Die eenmaal rekenschap zal vragen en het ook nu reeds doet en Die met Zijn eisch voor den mensch treedt. God vraagt het volstrekte van den mensen de ▼olstrekte Gods- en naastenliefde. Tegenover dit absolute gebod kan de mensch slechts eigen kleinheid en met-kunnen bitter voelen. En toch laat God niets vallen van Zijn eisch. Hij grijpt den mensch in het geweten. „Wees heilig gelijk Ik heilig ben". Het is de gedachte der ira dei", die L u t h e r weer naar voren heeft gebracht *). Maar deze zelfde toornende God is de God, Die den mensch wil en zoekt ondanks zijn zonde, Die den mensch vergeven wil ondanks zijn groote schuld,

i) Karl Holl, Gesamm. AufsStze zur Kirchengeschichte, I, Luther « u.», S. 4.

») Bij de mystici vinden wij het natuurlijk. (Zie boven, blz. 18).

») R. G. G. III, art. Katholizismus *.

•) Holl, gec. w., S. 42.

Sluiten