Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diepte niet beroerde: 's menschen diepste wezen bleef het „Fünkelein" Gods behouden. En wat de erfzonde betreft, ook Augustinus heeft gesproken van een volkomen verderf, dat Adams val over het menschengeslacht heeft gebracht, maar de op hem volgende denkers hebben den ernst en de volstrektheid dezer denkbeelden geleidelijk verminderd en het Tridentinum spreekt van een verzwakking der menschehjke natuur (z.b.), van een „pronitas ad peccandum", die den mensch overblijft, wanneer door het doopsacrament de schuld der erfzonde van hem afgenomen is. Zoo grijpt in de Roomsche leer de zonde niet diep en al-verwoestend in de natuur der menschen in: wel wordt het „donum superadditum", de Godsgave bij uitnemendheid, den zondaar ontnomen, maar hem resten de „dona naturalia", die hem in staat blijven stellen tot een reeks van goede daden, waardoor hij zich zeiven verdiensten verwerft. Hoe hebben de Reformatoren hiertegenover de erfzonde als absoluut Verderf en als absolute schuld gesteld! De erfzonde is de staat, waarin de mensch zich van nature bevindt, moet bevinden vóórdat het geloof hem grijpt. Het is het zijn „sine metu Dei et fiducia erga Deum", dat wel de zonde is van allen, maar toch ook weer de zonde van iederen enkelen mensch, omdat de enkele mensch zich persoonlijk afwendt van de Goddelijke genade: daarom erfzonde, die tegelijk persoonlijke schuld heet. En die volkomen onmacht ten goede is — B

En omdat de Reformatoren zóó beslist aan de erfzonde vasthielden als den schuldigen habitus, die achter alle daad-zonden ligt en die 's menschen diepste verderf is, terwijl de Katholieke leer op de peccata actuaha den nadruk is gaan leggen, die telkens door biecht en boete weer goed te maken waren, daarom hebben de centrale woorden bekeermg en wedergeboorte in het Protestantisme een dieper en persoonlijker klank gekregen dan in het Katholicisme: het zijn daar werkelijkheden die meer in het heele leven van den mensch insnijden en den ganschen mensch vernieuwen. H e i 1 e r heeft gelijk, wanneer hij zegf „Für die prophetische Frömmigkeit... liegt die Sünde im Bruch mit der gottgesetzten ethischen Weltordnung, im Abfall von Gottes heiligem Willen.... Das Sündengefühl besteht in der Verurteilung des Ich als Tragers eines sittlich-religiösen Unwertes, im GefÜhl der völligen Profanitat und Unheiligkeit, im Erlebnis des Zwiespaltes zwischen dem gottgewollten ethischen Ideal und der eigenen sittlichen Ohnmacht. Die Distanz zwischen Mensch und Gott ist keine metaphysische sondern eine ethische. Sünde-Gnade, Schuld-Rechtfertigung, Verdamnung-Verzeihung: das ist das grosze Problem der biblischen Frömmigkeit.... das aber m den Reformatoren mit ursprüngEcher Kraft wieder lebendig wird..., die Sünde ist die furchtbarste Realitat, so furchtbar und ungeheuer, dasz sie nur als Ausflusz einer widergöttiichen persönlichen Macht, des Satan, verstandlich wird" *). In deze woorden lijkt rmj de zondebeschouwing der Reformatoren naar waarheid geteekend Deze centrale voorstellingen der groote Reformatoren hebben hun

die den fo^rSt^' Spreken **" 601

*) Fr. Heiier, Das Gebet s, S. 267.

Sluiten