Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

HET CHRISTELIJK ZONDEBESEF.

§ i. Zonde, zondebesef, zonde-bewustzijn.

Wij willen in dit hoofdstuk de vraag naar de psychologie van de zonde stellen. Eigenlijk is dit een onjuiste uitdrukking. Immers, wat zonde is, zal psychologisch nooit vast te stellen zijn. Wie over zonde spreekt — althans in het Christendom — spreekt over de penetralia van het geloof, waar het diepste ontsnapt aan den greep van het psychologisch-wetenschappelijk woord of begrip, omdat dat diepste het irrationeele in den zin van het onbegrijpelijke (rationeel, intellectualistisch met grijpbare) is. Dit geldt niet alleen van de blijvend-onoplosbare vraag naar het ontstaan der zonde, maar evenzeer van haar innerlijkste wezen. Dat „die Sünde selbst in ihrem innersten Kern unbegriffen" x) blijft, dat zij „unbegreifliche Tat des mit sich selbst in Widerspruch befindlichen f reien Willens" s) is, dat is op deze en soortgelijke wijze telkens uitgesproken. Geen wonder: wie over het „radicale Böse" spreekt, spreekt over het „radicale Sinnlose", over het „pi) ", over dat, wat dus niet meer „behoort tot den wereldloop of hetmenschenleven"8) over, philosophisch uitgedrukt, den „Wertwiderstreit", die met de wetenschappelijk-psychologische begrippen niet te doordenken valt. Bovendien: zonde moge zich binnen de grenzen der menschehjke psyche laten gelden — natuurlijk, hoe zou de mensch anders weet van haar hebben? —, in haar wezen sluit zij zich binnen die grenzen niet op, is zij nog iets anders en iets méér dan een psychisch gebeuren, zij is een geestelijke realiteit, transsubjectief van aard, een geestelijke werkelijkheid, die haar macht en kracht in enkeling en samenleving manifesteert (rijk der zonde!), maar ook boven en buiten enkeling en samenleving uitreikt. Het mysterie der zonde wordt ons daarom langs den weg van zuiver psychologisch onderzoek zeer zeker niet ontraadseld. Dit mysterie zal mysterie blijven, en het zal goed zijn, dat wij ons dat, gesteund door de getuigenissen van de allergrootsten uit het Christelijk geloofsleven, telkens weer duidelijk maken. Hier — gelijk elders wat ons onderwerp aangaat — loont het de moeite naar den Deenschen wijsgeer Kierkegaardte luisteren, die in zijn geschriften meermalen blijk geeft de diepten van het Christelijk geloof te kennen. Ook bij heeft over de psychologie der zonde geschreven *) en tevens haar grenzen scherp getrokken. De zonde is geen aangelegenheid—meent hu

2) J. Muller, die Christi. Lehre von der Sünde, II, S. 235. *) W. Herrmann, Ethik 5, S. 83.

») P. D. Chantepie de la Saussaye, Het Christelijk Leven, dl. I, blz. 107.

«) S. Kierkegaard, Angst (vert. van S. van Praag). Alleen uit dit vertaalde werk citeer ik in het Hollandsen. (Voor het overige wordt geciteerd naar Gesamm. Werke, uitgave Diederichs, Jena).

Sluiten