Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in haar juist gemist wordt, wat zonde tot zonde maakt, n.1. het wilselement, de trots, vindt hij gelegenheid de Christelijke leer over de zonde naar voren te brengen. „Gerade der Begriff, durch den sich das Christentum am entscheidendsten qualitativ vom Heidentum unterscheidet, ist die Sünde, die Lehre von der Sünde; und deshalb nimmt das Christentum auch gansz konsequent an, dasz weder das Heidentum noch der natürliche Mensch weisz was Sünde ist, ja, es nimmt an dasz eine Offenbarung von Gott nötig ist, um offenbar zu machen was Sünde ist"1). Inderdaad is hier de eenige norm genoemd, die ons tot zondebesef brengen kan: de Goddelijke openbaring. „Ein Mensch kann, weil er in die Sünde ist, nicht durch sich selbst und von sich selbst sagen was Sünde ist. Sein ganzes Reden von der Sünde ist im Grande Beschönigung der Sünde, eine Entschuldigung, eine sündige Abschwachung. Darum setzt das Christentum auch damit ein, dasz nur eine Offenbarung von Gott den Menschen darüber aufzuklïren vermag, was Sünde ist".') Ook buiten het Christendom leeft het besef tegen een norm of normen te zijn ingegaan, ook daar treffen we schuldervaring en schuldbelijdenis aan, maar in de Christelijke religie komt het zonde- en schuldbesef tot zijn grootste diepte, omdat daar de norm, de Goddelijke openbaring, het diepste karakter heeft. De Godsopenbaring in het Christendom is de openbaring van den ons persoonlijk zoekenden God van heilige liefde. Geloof is in dezen godsdienst, naar Luther's woorden, zijn toevlucht nemen tot dien God in allen nood, het deemoedig vertrouwen op Zijn genade, zonde is dan niets anders dan het persoonlijk verzet tegen dezen God, zonde is dan ongeloof, d.w.z. het ontbreken van het vertrouwen, het zijn „sine metu Dei et fiducia erga Deum". Daarom kan alleen in het Joodsch-ChristeHjk theïsme het zondebegrip zijn diepte krijgen. „Wer den heiligen Gott nicht anerkannt, wer in der Welt ein zufalliges Durcheinander, einen bloszen Schabernack oder ein phantastisches Schönheitsgeheimnis sieht, in dem kann der christliche Sündengedanke kernen Boden finden8). Alleen daar,waar de mensch staat voor den heiligen, transcendenten God, Die tevens zoekende liefde, genade, is, alleen daar, waar deze goddelijke paradox van onverbiddehjken eisch en roepende liefde tot den mensch is gekomen, alleen daar kan zijn besef van zonde, onwaardigheid, schuld en al wat daarmee samenhangt, gewekt worden. Hoe meer besef van Gods openbaring, des te meer bewustzijn van eigen zonde en zondigheid. De meening, dat men dan eerst Christen zou kunnen worden, wanneer men via zondebesef tot verlossingsbehoefte zou zyn gekomen, welke dan in en door het Christendom bevredigd kan worden, is een dogmatische constructie, niet beantwoordend aan de werkelijkheid van het ChristeHjk-religieuze leven, dat, integendeel, juist laat zien, hoe het zondebesef veel meer het gevolg dan de voorwaarde van het geloof is, en hoe juist de heel grooten en neel sterken onder de geloovigen zich het felst van hun zonde bewust zijn geweest. Zij wisten: „Tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd!"

^Kierkegaard, Ges. W., VIII, S. 86, 87. *) Ibid., S. 92.

») E. Troeltsch, Glaubenslehre, 1925, S. 311.

Sluiten