Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepalingen steken blijft (zonde als zinnelijkheid of als zelfzucht, „vleesch" in den eersten en tweeden zin der door Otto genoemde tegenstellingen van vleesch en geest!), de takken der zonde zag, maar de wortelen zelve niet raakte, heeft Otto daartoe een poging gedaan. Zonde is voor hem profaniteit, 's menschen creatuurlijkheid tegenover het „Augustum et Majestuosum", 's menschen goddeloosheid, d.w.z. zijn verzet tegen het door God opgenomen worden in het geloof. Aanvankelijk is dit eenvoudig een „Naturgegebenheit", dus een toestand, die met het mensch-zijn als zoodanig is gegeven, voor het groeiend zelfbewustzijn blijft dit echter niet slechts „toestand", maar wordt dit schuld, schuld, die de mensch persoonlijk zich toerekent (mea culpa, mea maxima culpa), maar waarin hij zich tevens één weet met allen (oerval, oerschuld, erfzonde). Otto poneert deze uitspraken niet als „hochfhegende Spekulation", maar op grond van „Selbstbesinnung", d.w.z. bezinning op de religieuze ervaring, zooals wij die in ons zelf en in de groote religieuze persoonhjkheden vinden. Van deze „Selbstbesinnung" gaat hij dan voort — zoover als wij hier voort kunnen gaan — tot „Sachbesinnung" !). Welnu, deze „Selbstbesinnung" brengt hem tot een zondebesef, dat omschreven worden kan als creatuurbesef, profaniteitsbesef, besef van de verwerpelijkheid van den mensch als zoodanig. Gewekt wordt het door de confronteering van den mensch met het Goddelijk-heilige, en zijn inhoud is te ontleden in het besef van algeheele nietigheid en kleinheid èn in dat van algeheele onwaarde.

ze. De beschouwingen van Karl Barth c.s.

De theologie der z.g. Zwitsers wil „theo-logie" zijn, d.w.z. boodschap van Gods Woord, dat tot den tijd „gesproken" wordt en door ons „gehoord en „aangenomen" worden moet. Dit aannemen van het Woord is geloof. „Über uns wird ein Spruch hörbar, eine jenseitige, transzendente, von unserer Subjektivitfit unabhangige, de excelsis heruntertonende Stimme ... das Inempfangnehmen der göttlichen Bürgerurkunde, das ist der Glaube" *). Van hieruit is de felle strijd dezer theologen tegen alle subjectivisme en psychologisme te verstaan, die, naar hun meening, van Schleiermacher's dagen ai, de theologie hebben beheerscht en in zijn wezenlijken aard verminkt. Subjektivisme en psychologisme werken met „ervaringen" en belevingen" en daarmede is het heillooze pad betreden, dat voert tot de identiteit van God en mensch, tot den waan, dat de mensch God zou kunnen ontmoeten" of „grijpen" of hoe het al verder mag worden genoemd. Het is drieste overmoed, te meenen,dat de mensch ooit het Eeuwige zou kunnen beleven, het is de hybris der religie, dit tot een systeem te hebben uitgebouwd, maar „das religiöse Erlebnis, auf welcher btufe es sich auch abspiele .. ist in seiner Geschichtiichkeit, Dinglich!frj '™dt immer *** Verra* an Gott" »). Wij komen niet tot God, God komt tot ons, Hij spreekt vanuit Zijn verborgenheid Zijn Woord, dat het oordeel, de krisis, het „neen" inhoudt over al het

*) Ibid., S. VI, VII, Vorwort.

) E. Brunner, Erlebnis, Erkenntnis und Glaube, 1023, S. 96. 08. ') K. Barth, Römerbrief », S. 25.

Sluiten