Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensch ist der existentiell gottlose Mensch", maar dwingt hem ook heel de schepping, heel den kosmos onder het stempel der zonde, d.i. der tijdelijkheid, creatuurlijkheid en nietigheid te zetten en alle ethiek door radicale kuituurkritiek a priori eigenlijk onmogelijk te maken 1). — Wij kunnen de groote waarde der Zwitsersche theologie, met name ten opzichte van ons onderwerp, niet ontkennen. Parallel aan den grooten ernst, waarmede zij „God" weer in Zijn transcendente ondoorgrondelijkheid, als het Mysterium Majestuosum hoog boven menschelijk denken, willen en voelen heeft geplaatst, gaat hare ernst ten opzichte van de „zonde", die voor haar noch een zedelijk phenomeen, noch een louter subjectief gebeuren is, een veel geweldiger iets is dan piëtisme en moralisme meenen, maar zich uitstrekt over den ganschen mensch als zoodanig, „Totalitatsbestimmung'' (Brunner) is, noodwendig samenhangend met zijn algeheele existentie. Naast het Godsbesef, dat, Calvinistisch, met „de vreeze des Heeren" gekenschetst zou kunnen worden, staat hier een zondebesef, dat een oordeel van absolute onwaardigheid en verwerpelijkheid beduidt. En Adam heeft gelijk: „Wenn der orthodoxe Protestantismus (en, meenen wij, het Protestantisme in zijn geheel) ein Wiedererwachen erleben sollte, dann wird gerade diese Theologie insofern wenigstens einen nicht geringen Anteil daran haben, dasz sie die Ehrfurcht vor dem Göttlichen und den Schrecken vor der Sünde mit besonderer Wucht in die protestantischen Gewissen hammert"8).

3e. De beschouwingen van S dr en Kierkegaard.

Wij wezen in het voorafgaande op de beide lijnen, die door het zondebegrip der Zwitschersche theologen loopen: de mefaphysischexistentieele en de voluntaristisch-geestelijke lijn. Wij zagen, hoe de eerste nauw samenhangt met de in deze theologie gehuldigde gedachten over God als den qualitatief Andere-dan-de-wereld, aan Wien het zuiver metaphysisch praedicaat „eeuwig" toekomt: van hieruit moet al het menschelijke onder de „krisis" staan, zonde zijn, d.w.z. eindigheid en begrensdheid. Dit metaphysisch en op 's menschen existentie betrekking hebbende zondebegrip is — zoo meenden wij — het heerschende in de dialektische theologie en spreekt in alle ethische en cultureele uitwerkingen dezer theologie mede. Daarnaast bespraken we korteüjks die andere „zonde"lijn: zonde als wilsopstand tegen God, als bewuste afkeer van het schepsel van zijn Schepper, en we wezen er op, hoe ook dit zondebegrip niet op zich zelf, maar in verband met een Godsbegrip staat, dat, in tegenstelling tot het geheel en al transcendent en metaphysisch geteekende, religieuze trekken draagt, (van Gods wijsheid, liefde en genade wordt gesproken, van God, Die zich in Christus openbaart, Christus „in welchem sich die Menschheit ihrer Unmittelbarkeit(l) zu Gott bewuszt wird")8) en dat gekend wordt door de confronteering van den mensch met het Kruis. Beide lijnen loopen door elkaar, maar zijn toch heel beslist te onderscheiden: het blijven twee verschillende zondebeschouwingen, die terugwijzen naar Godsvoorstellingen,

*) Barth, Römerbrief, S. 246, 217.

a) K. Adam, die Theologie der Krisis (Hochland, IX 25 - 20, b. 285). ') Barth, das Wort Gottes, S. 42.

Sluiten