Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en uit zichzelf wel te kunnen besluiten, hoe ver hij nog van de volmaaktheid af is, de Christen weet, dat de zonde een zoo diepe en huiveringwekkende macht is, dat noch de mensch zelf, noch een ander, maar God alleen, God, die sterker is dan de zonde, hem tot de wetenschap kan brengen, „quanti ponderis sit peccatum". Staande tegenover God en Diens openbaring komt de Christen tot zondebesef.

Dit „staande voor God" houdt, om te beginnen, voor den Christen reeds drie nadere bepalingen ten opzichte van het zondebesef in: i° zonde is meer dan een louter subjectief gebeuren, 2° zij is ook meer dan een ethisch phenomeen, en 30 zij ligt dieper dan de naar buiten tredende verschijning, dieper dan de „zonden"; of, anders gezegd: i° het zondebesef is de psychische reactie van een transsubjectieve macht, 2° het zondebesef is nog iets anders dan het besef van „het booze", ook al wordt dit booze „das radicale Böse" genoemd, en 30 het zondebesef heeft niet alleen betrekking op de „peccata actualia", maar, dieper, op den zondigen habitus, die zich achter de actueele zonden verbergt.

Een enkel woord ter toelichting dezer uitspraken.

ad i°. Na wat wij reeds schreven naar aanleiding van de boeken van Prof. Cannegieter en Ziller, kunnen wij over dit punt kort zijn. Wij wezen er immers reeds op, dat èn Prof. Cannegieter en Ziller zonde enkel zien als zonde-bewustzijn, als „conflict met ons eigen innigst wezen, zieleschade", als „liefdelooze gezindheid", of hoe het verder moge worden uitgedrukt, maar in elk geval als louter subjectief gebeuren, als het kwade in den mensch, dat staat tegenover en strijdt met dat andere, hoogere en edele, het goede in dienzelfden mensch. En wij zagen ook, waaruit dat voortvloeit: uit het feit dat God niet als „God" wordt gekend, d.w.z. in de Godsbeschouwing het ontologische, het transcendente element wordt gemist of misverstaan. Cannegieter's boek heeft den veelzeggenden titel: „Godsdienst en Zieleleven": „alle religie" is voor hem „het zich zelf zijnen het al meer zich zelf worden van den inwendigen mensch; de menschehjke persoonlijkheid in vollen bloei"1), en ook voor Ziller is godsdienst alleen te denken als een immanent gebeuren, God zelf als hoogere gezindheid, werkend in den mensch. Zoo moet men komen tot een zondebesef, dat inderdaad met de woorden „besef van innerlijke verdeeldheid, besef van zieleschade" alles heeft gezegd.

Dat dit zondebesef zijn diepste diepte mist, meenen wij zeer stellig. Wat wij missen, beseffen wij wel het duidelijkst, door, na het lezen van studies als van Cannegieter en Ziller, de beschouwingen van O 11 o ter hand te nemen. Door hem zijn wij het gaan verstaan, indien wij het nog niet wisten, dat „God" voor den Christen nog iets anders is dan de „hoogere liefdesgezindheid", dan „de ziel" van zijn leven, dan „Gods-bewustzijn": „God" is den Christen de Transcendente, de absoluut-Andere-dan-de-wereld, de Boven-wereldhjke, het Mysterium Magnum, Tremendum et Augustum, dat Zichzelve mededeelt aan deze wereld en haar schepselen, maar tevens in Zijn wezen qualitatief de Andere en Meerdere bhjft. Tegenover dien transsubjectieven God,

*) Cannegieter, gec. w., blz. 113.

Sluiten