Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

ZONDEBESEF EN ZONDELEER.

Hebben wij in het vorig hoofdstuk de kern van het zonde- en schuldbesef trachten aan te wijzen, in dit laatste hoofdstuk zal het gaan om de vraag, op welke wijze de genoemde en besproken ervaringen hun verwerking kunnen vinden in het geheel eener geloofsleer. Dat zonde en schuld zeer belangrijke „loei" zijn in de Christelijke dogmatiek aller tijden, hebben wij in ons historisch overzicht gezien; dit historisch overzicht moesten wij intusschen beëindigen met de opmerking, niet veel verder te kunnen komen, zonder eerst een godsdienstige analyse van het, aan alle zondeleer ten grondslag liggend, zondebesef te hebben ondernomen: dit nu gedaan zijnde, kan tenslotte de vraag gesteld worden: hoe kunnen wij nu een zondeleer, een zondedogmatiek opbouwen, welke op deze analyse teruggrijpt? — Voordat wij tot beantwoording dezer vraag overgaan, mogen twee zich vanzelf aan ons opdringende vóór-vragen kortelijks besproken worden.

§i. De beteekenis van een dogmatiek voor het Vrijzinnig-Protestantisme.

De eerste vraag luidt: Welke beteekenis heeft in het algemeen een dogmatiek voor ons, Vrijzinnige Protestanten}

Jaren geleden moest Prof. Bruining in een studie over de methoden van onze dogmatiek zich nog met nadruk verweren tegen de „onder ons verbreide meening", dat een dogmatiek niet gegeven kan en mag worden, wijl godsdienstig leven zich verzet tegen elke poging het in formules te omvatten1). Dat was in 1903. En nog in 1918 kon men als stelling achter een academisch proefschrift lezen: „Een dogmatische omlijning van het Vrijzinnig-Christendom is mogelijk noch wenschelijk"2). Zoo denkt men in onze Vrijzinnig-Protestantsche kringen nog veelal: het accent ligt op het religieuze leven, dat, ook in dit opzicht, zich naar de bekende binnenkamer retireert, dogmatiek is uit den booze, reeds het woord alleen maakt kopschuw en roept gedachtenassociaties van versteening, verstarring in formules, teksten, dogma's, en wat dies meer zij, op. Ten onrechte en niet tot heil voor ons Vrijzinnig-Protestantisme! Reeds Bruining in zijn genoemde studie schrijft: „Ik ben van oordeel, dat, wie op dit oogenblik van modern standpunt eene dogmatiek kwam geven, waarin ook maar bij benadering de hoofdlijnen juist werden getrokken, onze richting een onschatbaren dienst zou bewijzen" *), en uit onze eigen dagen zijn wij Roessingh's roep om een beter

*) A. Bruining, Over de methode van onze Dogmatiek (Teyler's Th. T. 1903, 4, blz. 426 e.v.).

2) Ac. Proefschr. van A. Mankes-Zernike, stelling XV. 8) Bruining, gec. art. (T. Th. T., 1903, 2).

Sluiten