Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de term „rijk der zonde"), en dat was — nog altijd Althaus — hun goed recht tegenover het eenzijdige accent, dat het ReformatorischProtestantisme op het eerste gezichtspunt heeft gelegd. Maar vruchtbaar wordt dit alles eerst, wanneer de drie gezichtspunten met elkander in verbinding treden. „Über das theologische Verstandnis der Sünde kann man heute nicht reden, ohne in die Auseinandersetzung zwischen der ref ormatorischen und der von Schleiermacher und der Ritschl'sehen Theologie vorgetragenen Sündenlehre einzutreten" x). Dit tweede en derde gezichtspunt zijn aan het eerste ondergeschikt, „denn alles Böse geht auf jene verkehrte Grundhaltung zu Gott zurück". Maar evenzoo geldt: „erst wenn gezeigt wird, wie dieser Grundwille die Geschichte gestaltet und wie die Sünde selber in der Geschichte auch ein Werden bestimmt, ja selber durchmacht, haben wir die Sünde in ihrer geschichtlichen Wirklichkeit ganz erfaszt" '). Welnu, „hoe dieser Grundwille die Geschichte gestaltet", m.a.w. ook de zondige daden bepaalt, dat is alleen bij een voluntaristisch zondetype te begrijpen. Gods heilige wil treft vanaf het Kruis niet slechts onzen zondigen oer-wil, maar veroordeelt ook onze actueele zonden, ons empirisch handelen: dit bedoelt Althaus, wanneer hij op een andere plaats van „Gewissensgericht" en „Geschichtsgericht" spreekt 8): het eerste is „die Enthüllung des Menschenwesens in seiner tiefsten Gottlosigkeit", het tweede is „der Flueh, mit dem Gottes Heiligkeit unsere Taten und Versaümnisse straft", het laat ons beseffen en vermoeden, welke werkingen en invloeden er van onze booze handelingen en nalatigheden, ons schuldig doen en laten uitgaan. —

Samenvattend: een zondeleer, die uitdrukking geeft aan onze diepste ervaringen en tevens het verband met de Christelijk-reformatorische uitspraken vasthoudt, zal de zonde moeten definieeren als de antigoddelijke wilsbepaaldheid, welke in trots, rebellie en „zelfzucht" haar inhoud ontvangt. Omdat de mensch geestelijk wezen is en de kern van zijn wezen wil is, daarom is die mensch zondaar, hij alleen onder de geschapen schepselen. Hij alleen kan eigen geest losscheuren van den eeuwigen geest, welke zijn grond is: daarin ligt 's menschen ellende èn 's menschen glorie tot zekere hoogte *). Philosophisch gezegd: „Die Sünde ist also die Behauptung eines Rechtes und Wertes des Endlichen, das oder der ihm allerdings nach dem Grande der unbedingten Synthesis zukommt, aber gerade ohne Anerkennung dieses Grundes" '). Maar dan moeten met de zonde, aldus voluntaristisch, geestelijk, „willensmaszig" opgevat, de vrijheid en de schuld onlosmakelijk verbonden zijn.

M Ibid., S. 315, 316. *\ Ibid., S. 324.

*) Althaus, die letzten Dinge 3, S. 191, 215.

4) 's Menschen ellende èn 'smenschen glorie! Toch mag deze uitspraak ons nooit verleiden om te zeggen: onze zonde is onze heerlijkheid, gelijk men dat soms kan hooren. De mensch, die zijn zonde tegenover God ervaart, zegt dit nooit, wijl hij van alle glorie en heerlijkheid verre is. Men kan dit alleen „van buiten af' zeggen, d.w.z. beschouwend, bespiegelend. Verg. Dr. G. J. Heering, De plaats der zonde in de vrijzinnige dogmatiek (Th. T., 1913, blz. 310, 311).

*) Brunstad, die Idee der Religion, S. 150, 151.

Sluiten