Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart der questie. Het karakteristieke der kerkelijke erfzondeleer ligt immers juist hierin, dat zij eenerzijds de zonde zich laat voortplanten ▼an individu op individu, van geslacht op geslacht (bij Augustinus wordt de concupiscentia in onmiddellijk verband met het sexueele leven gebracht, en ook volgens Luther is het de geslachtelijke voortplanting, die de erfzonde verbreidt), en toch, anderzijds, de schuld wil handhaven. Reeds Duns Scotus voelde hier een moeilijkheid, die door Luther blijkbaar niet beseft is. Hoe kan overgeërfde zonde als schuld worden opgevat? Is de term „overgeërfde" of „overervende" zonde niet reeds een contradictie ? De zonde is geen epidemie, die zich als de koepokken voortplant, merkt Kierkegaard ergens terecht op 1). Bij een voluntaristische zondeopvatting is de naturalistische gedachte van overplanting uitgesloten. Natuurlijk kunnen lichamelijke en ook psychische gesteldheden, die tot zonde leiden, overgeplant worden: dit laat het leven maar al te vaak zien, maar de zonde zelve, als „sprong" als geheimzinnige geestes- en wilsbepaaldheid, gaat niet als een ziekte van den een op den ander over. Zoowel „erfzonde" als „erfschuld" zijn, in den letterlijken, psychisch-somatischen zin genomen, ongerijmdheden; M u n d 1 e ' s opmerking is volkomen waar: „Mangelndes Gottvertrauen und mangelnde Gottesfurcht sind doch keinenfalls Dinge, von denen man sagen kann, dazs sie sich auf dem Wege physischer Zeugung von den Eltern auf die Kinder vererben" 2).

Zoo is de erfzonde-leer in haar traditioneel-kerkelijken vorm, voor ons niet meer te aanvaarden, nog daargelaten het feit dat ook de basis waarop zij rust, Genesis III, voor ons haar historische vastheid heeft verloren. —

Wat stelden Schleiermacher en Ritschl hiervoor nu in de plaats ? Iets geheel anders, naar vorm en inhoud! Laat Brunner's felle Schleiermacher-kritiek in haar eenzijdigheid te ver zijn gegaan, zij lijkt mij ten opzichte van de ons bezighoudende vraagstukken onweersprekelijk, wanneer zij Schleiermacher een naturalistische ombuiging — en daardoor verzwakking — van de oude erfzondeleer en hare eigenlijke bedoeling verwijt 3). Zonde wordt door Schleiermacher in zijn geloofsleer gedefinieerd als „Hemmung der Wirksamkeit des Gottesbewusztseins": alles, wat de vrije ontwikkeling van het Godsbewustzijn in den mensch remt, is zonde. Deze „Hemmung" is de zinnelijkheid; in „die Fürsichtatigkeit des Fleisches" ligt de zonde. Niet in den geest des menschen, niet in zijn opstandigen vril heeft dus de zonde haar zetel, maar in de „niedrigen Seelenkrafte", die den geest, het „Godsbewustzijn" in zijn ontwikkeling belemmeren. Nader wordt dit dan aldus beschreven: het „vleesch", de zinnelijkheid, openbaart zich in den mensch als een macht, vóórdat de geest, het Godsbewustzijn, zich laat gelden: het zinnelijke heeft dus een voorsprong op het geestehjke. Daarin nu ziet Schleiermacher het wezen der erfzonde-idee. Deze moet begrepen worden uit de „un-

*) Kierkegaard, Angst, blz. 46.

M Mundle, Sünde und Schuld (Z.f. Th. u. K., I02O, S. 182). *) Brunner, die Mystik und das Wort, S. 228—247.

Sluiten