Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is een hartsvriend geweest van Eugène van Oye en Hugo Verriest in de jaren van hun jongen groei vóór de akademische studie, Hugo Verriest was het voor Albrecht Rodenbach en wie zal zeggen, hoeveel Busken Huet te danken had aan zijn vereerden leermeester van de Leidsche Hoogeschool, den theoloog en filosoof professor J. H. Schol-

l ten? Als jongmjmschjtond Willem Kloos alleen.

Een soort vergoeding voor het gemis vond hij in hartstochtelijke lectuur die hem binnenleidde in de wereld van de romantiek. Hij ver' slond in vrije uren zoowat alles wat een leesbibliotheek hem aan

' buitenlandsche romans verschaffen kon. Zoo sloot hij buiten, wat hem in zijn huiselijke omgeving tegenstond. Van al die boeken x) was er

, één dat hem in de ziel greep: de roman van een tweede-rangs-schrijfster,

j Eugenie Marlitt, n.1. „Die Zweite Frau", waarvan de psychische atmosfeer heel heftig door hem werd aangevoeld. Sinds de jonge Kloos eenmaal wist van zijn vaders eerste vrouw, zijn moeder, wiér laatste snik een'uiting van zorgende liefde was geweest, werd de overledene voor hem een voorwerp van stille, innige vereering. Sinds dat oogenbbk stond het moederbeeld hem steeds voor den geest, met den oneindig zachten blik vol mededoogen. Nooit is dat befelijk fantasma

( uit zijn leven verdwenen. Het werd een toevlucht voor zijn smart en eenzaamheid. In zijn drang naar teederheid en menschelijke sympathie schonk hij haar die liefde welke hij aan zijn huisgenooten niet schenken kon. Als een goede genius scheen zij over hem te waken en hem te bemoedigen in uren van donkere wanhoop. Eens verscheen zij hem. Hij wandelde buiten. Het was op een druilerigen, mistigen dag. Onder aan den dijk zag hij een droevige vrouw gebogen zitten, „die met de handen voor de oogen als te weenen scheen", en het kwam hem voor of het zijn moeder was, die daar was gekomen om hem te laten weten dat er achter dit leven nog iets Diepers zat, dat hem helpen kon1). Dit gebeurde, toen bij, diep terneergeslagen, doolde buiten de stad, nadat hij pas als onbruikbaar medewerker door den redacteur van het weekblad De Amsterdammer was weggestuurd 3).

1) Hij lag werken van Eugène Sue, Victor Hugo, George Sand, Xavier de Montépin, D'Arlincourt, Ebers, Freytag, Gutzkow, Marlitt, Dickens, Thackeray, Wilkie Collina, Mrs Wood, George Eliot. De Engebche boeken las hij in vertaling. Later legde hij den grond voor zijn degelijke kennis van het Engelsch door de 12 deelen van Grothe's History of England in hun geheel door te werken.

2) Nieuwe Gids 1926 II, 340.

3) Zijn artikelen schreef hij daarin onder 't pseudoniem Sebastiaan Senior; als Q. N. schreef hij in den Spectator.

Sluiten