Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelachtige kleed waarmee de Ongeziene zijn eigenlijke wezen verhult. Shelley's geweldige ernst en de verbluffende macht van zijn spontaanscheppend genie en ook zijn volmaakte taal- en vormbeheersching, versterkt door een grondige kennis van de Grieksche klassieken, die zijn het, welke den jongen Kloos in vuur hebben gezet en den ouden blijvend hebben bekoordjMen zou verwachten dat bij een zoo groote bewondering talrijke sporen van Shelley's invloed, in den vorm van woorden, beelden en wendingen, zouten, srijn aan te wijzen. Toch is ^J. i diJVtejaauWèinöod het geval. Ah^ticnf^aV^Jóós iets aan Shelley / ƒ,/ te danken hebben (want zijn theoretische denkbeelden over de dichtkunst vinden we voor een deel reeds in „A defence of Poetry"), de lyricus is zich zelf. Het breede, diepe geluid, het fijne en toch monumentale in de uitbeelding is Kloos' onvervreemdbaar eigendom, terwijl j zeer sporadische overeenkomst in woordgebruik even goed aan toeval , als aan ontleening kan worden toegeschreven. Wel zijn er een paar jr vaste stijlkenmerken, welke men bij Shelley en Keats geregeld aanI treft en ook telkens vinden kan bij Kloos en de andere Tachtigers: f 1° de herhaalde personificaties van eenige abstracte begrippen, als het jaar, de maanden, de dagen, de uren, de seizoenen, wenschen, droomen j en gedachten; 2° het in elkaar overgaan van sensaties, zoodat woorden I voor een bepaalde zintuiglijke gewaarwording ook gebezigd worden I voor heel andere. Zoo schreef Kloos b.v.:

Het zachte lichten van hun glimlach vloeit Als heldere muziek, door al de lucht.

I 3° De neiging om het eigen zieleleven met al zijn stemmingen door natuurbeelden weer te geven. Het Ugt voor de hand, deze verschijnselen toe te schrijven aan het ijverig bestudeeren van de Engelscbe dichters, al hunnen Kloos en Gorter, de klassici, ook voor de personificatie even goed den invloed hebben ondergaan van de Grieksche poëten. Zooals onze Renaissance-dichters (Hooft, Vondel e.a.) dikwijls woordelijk hun Latijnsche modellen herhalen, zoo hebben Van Eeden, Verwey en Gorter vrij wat ontleend aan de Engelschen. Niet alzoo Kloos. Hij was van al de Tachtigers de oorspronkebjkste, wanneer we onder oorspronkebjk verstaan: zelfstandig, vrij van vreemde inmengsels en invloeden1).

1) Zie Dr. G. Dekker, „Die invloed van Keats en Shelley in Nederland gedurende die negentiende eeuw", en mijn recensie van dit boek in het feuilleton van de N. R. C 1 Mei, 1926.

Sluiten