Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jac. van Looy, Dysselhof en, als goede kennissen, nog vele anderen.

Kloos woonde in den eersten tijd in de nieuwe buurt, tusschen Amstel en Stadhouderskade, in de Hemonystraat op een dakkamertje, „bijkans geheel ingenomen door de met boeken en papieren volgestapelde schrijftafel en de met Engelsche dichters gevulde boekenkast". Hein Boeken, die hem kende door Timmerman, heeft hem daar in 1882 of '83 voor het eerst bezocht. Hij trof er toen den hem nog niet bekenden Willem Witsen. Kloos en Witsen, de blonde en de zwarte, waren bezig tezamen den Griekschen tekst te lezen van de Medea van Euripides. Witsen namelijk was van plan, een schilderij te maken, voorstellend Medea met haar twee kinderen1). Niet lang daarna kwam Kloos in aanraking met Frederik van Eeden. De ontmoeting is te kenschetsend voor beiden om ze hier niet te plaatsen in de beschrijving welke Kloos er onlangs van gegeven beeft *):

„Ik zat eens op mijn simpele bovenkamer, als sober jong student te werken voor mijn kandidaats in de klassieke letteren, toen mijn hospita onverwacht aanklopte: „Meneer, daar is iemand voor u en die vraagt of hij boven mag. komen". En zij reikte mij een visitekaartje aan, waarop ik zag, dat de zich aandienen latende de Rector was van hét Amsterdamsche Studentencorps. De uiterst verbaasd zooals vanzelf spreekt, want ik was geen bd van het Corps, schikte mijn chambercloak een beetje netter en zei: „Laat meneer alsjebbeft hier komen". Een vlugge tred liep toen de trap op, en na een seconde of wat, stond er vóór me een net gekleed jongmensch, die na een vluchtig handgereik, onmiddellijk om zich heen keek naar mijn meubelen, alsof hij een man was van de belastingen en toen op luchtigen kortaffen toon zich de uitdrukking bet ontvallen: „Och, het riet er hier nog al knap uit". Ik door die eenigszins hautain gesprokene opmerking een sekonde lichtelijk gehinderd natuurlijk, verzocht op een soortgelijken toon mijn bezoeker, om even te willen gaan zitten en vroeg hem waaraan ik het plezier van zijn visite te danken had. „Och", liet hij toen hooren, „ik kwam maar eens naar u kijken. Ik heb uw voorrede voor de verzen van Jacques Perk gelezen, en daar u met schrijven schijnt door te gaan, wou ik graag weten, hoe u er uitziet en wat u van plan is, om verder te doen". Dit alles werd gezegd op den toon van een niet al te onminzaam inquisiteur. En ik, die met mijn mond steeds weinig mededeelzaam ben geweest, repliceerde met een paar woorden, waarna zich

1) Dr. Hein Boeken in de N. Rott. Courant, 4 Mei 1929.

2) N. Gids, Oct. 1933. Het een en ander over Herman Gorter en Mevrouw Roland Holst.

Sluiten