Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een gesprek ontspon. Of Kever, hij vertelde mij zijn natuurlijk nog niet heel belangrijk zijnde letterkundige ondervindingen, die ik goedmoedig aanhoorde, met een paar korte vraagjes van mij zelf er tusschen door, en na een half uur stond hij weer van zijn stoel op, reikte mij twee vingers en knikte kort en stil-kordaat met zijn hoofd. En toen was hij opeens verdwenen, ik hoorde de huisdeur dichtslaan en zette mij weer aan den arbeid, d.w.z. aan mijn studie, waar ik besloten had in Juni 1884 klaar mee te zijn".

Dit bezoek viel, zooals uit Van Eedens woorden blijkt, na den dood van een vriend die Kloos zeer dierbaar was.

Den len November 1881 toch was Jacques Perk overleden. Kloos is nooit wat men noemt een occultist geweest. Meer dan eens heeft hij duidelijk verklaard wat hem in de theosophie en het spiritisme verdacht en onaannemelijk lijkt, maar dit neemt niet weg dat hij het met Shakespeare's woorden eens is dat er veel tusschen hemel en aarde bestaat dat voor een naïef realist ongeloofeUjk schijnt. Om een kijkje te geven op het wezen van den jongen Kloos zal ik daarom uit een brief aan mij van 21 April 1907 een mededeebng aanhalen die hij later ook door den druk heeft gemeen gemaakt:

„Met Jacques Perk had ik afgesproken, dat wie het eerste stierf den ander zou waarschuwen, als er een leven na den dood mocht zijn" (Het gebeurde in den zomer op de kamer van Perk, terwijl ze beiden voor het hoog opgeschoven raam naar buiten leunend uitzagen over de tuinen daar beneden). „Ik zal wel de eerste wezen die weggaat", zei Perk heel kalm: hij was teringachtig. „Welnu, op den nacht van zijn sterven, lag ik bij mijn lamp te lezen in mijn bed. Ik studeerde toen voor mijn candidaats klassieke letteren, waar ik in '84 voor ben geslaagd. Op dien nacht dan, zoo bggend, heelemaal verdiept in mijn studie, hoorde ik plotseling op de deur, die van mijn zitkamer naar mijn slaapkamer leidde, zacht kloppen. Ik keek op mijn horloge, 't was bij drieën, en schrok. Zou er onraad wezen in huis? Dat moest mijn hospita wezen, die mij voor iets bijzonders kwam wekken. Dit bbksemsnel denkend, riep ik: „binnen"; maar de deur bleef dicht. Ik stapte uit mijn bed en deed de deur open, maar zag niemand er achter staan. Ik nam mijn lamp, maar de heele kamer was leeg. Toen liep ik de kamer door en klopte op een andere deur, waarachter de hospes en hospita sbepen, en riep: „Heeft iemand geklopt? Is er iets?" Met slaperige stem werd mij natuurlijk van daarachter geantwoord: „Och nee meneer: we slapen, gaat u maar naar bed: u heeft zeker gedroomd".

Ik weer terug, dat alles heel vreemd vindend en volstrekt niet aan

Sluiten