Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat purper-plooiend op Zeus' voeten viel.

En deze lachte zacht, en, wijl hij dronk,

Rustte zijn rechter op dat teêre hoofd,

Zijn rosse rechter, die den bliksem vatte

Toen hij God Koios heen sloeg in het ijle:

„O Schoonheid, Schoonheid, waar ik zelf van leef,

Gij die geen God zijt, maar der Goden Kroon,

Ook stervelingen gaaft ge een schijn om 't hoofd!"

Zoo Zeus, en dronk gelijk der Goden God.

Ook van 1883 zijn de prachtige alexandrijnen van het dramatisch fragment Sappho. Ook hier het telkens terugkeerend contrast van het lagere stoffelijke en het geestelijke. Het is het verhaal van de liefde die, louter hartstocht, voor den mensch een vloek wordt. Schooner dan in Rhodopis is hier deze gedachte verbeeld. Sappho, die het aardsche met een godenmaat „heeft genomen", haar liefde als een bedwelming stortend nu over deze dan gene, is zich bewust van de diepere waarheid: ook voor haar is de liefde een fatale macht, die slechts ijdele, wrange genietingen verschaft, waardeloos vergeleken bij de musische verheffing. Dit ondervindt de slanke Phaon (die voor een pooze de jonge dienares Antheia en den zanger Alkaios uit Sappho's gunst verdrongen heeft), wanneer hij zich verheft op Sappho's lichamelijke gunsten. (Phaon spreekt:)

Hoor, hoe zij sprak. Wij lagen in bewusten droom

En droomden, moede van den laatsten, langsten kus,

Toen eindbjk Sappho langs mijn warre lokken streek,

En sprak, me in de opene oogen ziende, en 'k voelde wel,

Hoe de andre hand zoo zachtkens naar mijn harte zocht,

Terwijl haar aêm verlangend op mijn bppen vieb

„Uwe oogen, Phaon, zijn als van Alkaios blauw,

Wijl ook uw lokken, donker, als de zijne, zijn!"

En kuste mij. Maar ik in halve sluimring vroeg:

„Mijn bef, wat meent ge en wat gaat mij Alkaios aan?

De kuische zanger mijmert aan der Muze voet,

Die telkens weer zijn marmer-koelen mond ontwijkt,

Daar ik de Muze, menschlijk, als een god, geniet!"

Nog was de scherts niet in den stillen nacht verruischt —

O wie de wissbng dier ontboeide trekken zag

En wee, wie 't vonnis dier ontvlammende oogen trof,

Nog straks door 't waas van half-voldanen lust bedauwd!

Sluiten