Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langduriger'dan aan mij den toegang opén liet tot de organen der wel weinig van hem begrijpende en zijn uitingen zelfs meestal een beetje zonderling vindende, maar hem toch niet vierkant afwijzen durvende Pers, zooals deze, in het fijner Psychische te zelden intuïtieve Macht hier te lande dat wel telkens met mijn rustig Proza en mijn andere geenszins barokke of onnoozele voortbrengselen deed" *).

Bij alle verschil tusschen de twee vrienden in maatschappelijke conditie en karakter, was er toch ook een groote overeenkomst. Wat Kloos was Voor de poëzie, werd van Deyssel voor het proza: een levenwekker en vernieuwer. Beiden waren individualisten, beiden voelden ze zich doordrongen van de allereerste noodzaak: goed te doen begrijpen, dat woorden en zinnen levende organismen zijn, symbolen met een suggestieve macht, en dat zonder dit zinnelijk-psychische de poëzie geen poëzie, het proza geen proza meer is maar enkel abstracte mededeeling. Kloos' In Memoriam was in dit opzicht een beginselverklaring evenals van Deyssel's opstel „Over Literatuur". Het jaar na hun kennismaking, in 1884, werd Kloos afgedankt als medewerker van het weekblad De Amsterdammer en deed hij zijn candidaatsexamen in de klassieke letteren waarvoor hij van Diepenbrock inlichtingen had gekregen. De teleurstellingen buitenshuis waren hem niet bespaard: I Rhodopis door de Gids geweigerd, zelf/afgewezen door De Spectator, . vervolgens door het populaire weekblad van Amsterdam! Het bleef J. er niet bij. Prof. Naber weigerde hem tentamen af te nemen, omdat hij slechts drie maanden college had geloopen en legde het tijdens het examen er blijkbaar op toe om zich te wreken en den examinandus in den grond te boren. Teekenend is bet, waarom de jonge Kloos zich weinig om de colleges bekommerd had. Hij verveelde zich bij de uitsluitend grammaticale, van alle aesthetische bewondering gespeende f S? lessen. Hij hoopte ingewijd te worden in de schoonheid van de klassieken en inplaats daarvan had hij te luisteren naar spitsvondige commentaren en conjecturen. De klacht is al oud. Als men b.v. de Leidsche Studentenalmanakken van 1846 tot '50 nagaat, ontdekt men dat de knapste studenten in dien tijd alles behalve tevreden waren over de wijze waarop de klassieke vorming niet werd behartigd maar verwaarloosd. Zelfs de studenten die wel inzagen dat zonder een degelijke taalkennis van een eigenlijk genieten geen sprake kan zijn, klaagden toch steen en been over de geestelijke dorheid van het akademisch klassieke onderwijs. Het lijkt de moeite waard om aan dit punt even onze aandacht te schenken. Wat aesthetisch-intelligente studenten ergernis gaf

1) N. Gids, 1930, II, 80.

Sluiten