Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sium, verlaat met een goede dosis grammatica en behoorlijk enthousiasme voor zijn auteur», hem door zijn verstandige leeraars ingeprent, die daarbij de juridische, theologische of wel de Utterariscbe faculteit voor zich gekozen heeft, komt op de universiteit. De series wijst b.v. aan: Explicabitur Horatii Odarum 't zooveelste boek.

Vol verwachting van de nieuwe wereld, die zich voor hem zal opdoen, gaat hij wederom zitten op de schoolbank en luistert: Horatius is hem niet onbekend, hij begint juist gewend te worden aan het metrum en iets aardigs te vinden in de zeggings-wijze van onzen poeët. Hij meent nu — of neen, zoo wijs is hij niet — hij zou nu moeten hooren, vooreerst een eenvoudige woord- en zaak-verklaring, maar nauwkeurig, maar duidelijk, zoodat de zin, de bloote zin van 't geheele carmen hem helder tot bewustzijn kwam: vervolgens zou men hem moeten wijzen op het doel waarmede en de stemming waarin bet poeëm werd ontworpen, of het dus tracht een beeld te geven, een gemoedstoestand uit te drukken, of wel beide tegelijk, en op welke wijze de dichter dat doel zoekt te bereiken: hij zou dan opmerkzaam moeten gemaakt worden op de verschillende deelen en hun onderling verband, en eindelijk op de kunst, waarmede voorstelling, uitdrukking en metrum tezamen gesmolten zijn tot één harmonisch geheel, dat voor het oog des geestes is, wat een schilderij of een beeld is voor den zinnelijken blik. Dit zou moeten — maar inplaats daarvan verneemt de leergierige jongeling, na een onvolledige woord-interpretatie, die geenszins tot den grond der zaken doordringt, dat de geleerde A het 4e woord des 3en regels voor onbegrijpelijk op die plaats verklaart, en er een ander voor wil zetten, dat er wel eenigszins op gebjkt; dat echter de geleerde B bekent dat bij dan bever dien regel wil weglaten, die hem toch niet bizonder fraai dunkt en zulk een dichter onwaardig; waarop de geleerdste van allen, C, de zeer juiste opmerking maakt, dat nu noodzakebjk de geheele strophe moet uitvallen, die anders zin noch slot heeft, temeer daar het derde woord des 2en regels hem ook verdacht lijkt, en het verband met de vorige strophe, voor een wetenschappehjk man, niét al te duidelijk is. Gelukkig, zoo het hierbij blijft en de ongelukkige hoorders niet nog meer kritiek moeten verduren, voor de zaak hun geestebjk eigendom is geworden. En nu, commüitones, accedamus tot het volgende carmen — maar de teleurgestelde muzen-zoon gaat stil naar huis en vindt dat de Ouden toch niet zoo amusant zijn als hij zich dat vroeger in zijn onnoozelheid heeft verbeeld. Wel wat droog voor onzen tijd! Het einde der zaak is, dat hij, na zijn propaedeutisch, zijn weinigje klassische kennis zoo spoedig mogebjk

Sluiten