Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier niet althans iets uit over te nemen. Het geheele stuk is interessant omdat de lokale historische sfeer er zoo uitstekend in geteekend wordt en het rijk is aan personen-beschrijving. Ik bedoel het opstel Willem Kloos als vriend in De N. Gids van Mei 1929:

„Ja, die colleges, die wij samen volgden.... Behalve de nooit genoeg te prijzen Bellaar Spruyt en de beminnelijke Allard Pierson, was alles één woestijn van grenzelooze verveling en elke belangstelling „moordende" schoobneesterij. Daar zaten behalve Willem Kloos ook Jacques Perk, woelende in zijn zachte, lange, blonde haren en starende naar de groene boomen en oude gevels van den burgwal, waar de college-kamer, kaal en droevig als een pobtie-bureau, op uitzag; Herman Gorter, Alfons Diepenbrock, twee gebroeders Leyds, waarvan de jongste, Willem, later in Transvaal een bekenden naam kreeg, Hein Boeken en eenige anderen, waaronder een aanstaand bekend kamerbd, geestig en scherp, de student, die op een heerlijken Juni-dag, toen het menneke achter den katheder zijn eentonig deuntje afneuriede, aan ons aller hartgrondige verveling — het woord was toen pas door Busken Huet uitgevonden — zoo drastisch en plastisch uitdrukking gaf door zich op zijn dikke ellebogen met luiden bons op de lange tafel te laten vallen, uitroepend: ,Godverdomme!' Dat de colleges door het slachtoffer in zijn woede gesloten werden, was het door ons gewenschte resultaat".

Bij dezen hoogleeraar vroeg Kloos op een zekeren dag in 1884 tentamen aan, en hij weigerde, het af te nemen. Wij laten Kloos zelf spreken door bier een brief gedeeltelijk over te drukken, dien ik den 30»ten Nov. 1924 van hem mocht ontvangen als antwoord op mijn vraag, wat Kloos voor zijn vorming aan Allard Pierson te danken had1).

„Dx voel een persoonlijke, menscbelijke sympathie voor Allard Pierson, die mij mijn heele leven is bijgebleven sinds den dag, dat ik dien goeden, psychisch-fatsoenlijken, ja, ik kan wel zeggen, nobelen mensch voor het eerst zag, welke keer ook de laatste was, dat ik hem heb ontmoet.

Het was op een Juni- (of Juli-)dag van het jaar 1884, toen ik candidaats deed voor de klassieke letteren. Ik had in het geheel geen college geloopen. Alleen had ik in 't najaar van 1879 mijn 200 pop betaald met het doel al die akademische lessen die ik noodig had, te volgen, en ik ging dan ook zitten onder het gehoor van prof. S. A. Naber,

1) De vraag berustte op het feit dat Pierson zich in De Gids van 1879 ongunstig had uitgelaten over den stand onzer Poëzie en de richting had aangewezen waarin zij zich had te bewegen.

Sluiten