Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van lijn en kleur die denken doet aan de vegetatieve uitbundigheid f van een vruchtbare lente. De plicht der taal-vernieuwing heeft Kloos met de andere Nieuwe-Gidsers diep gevoeld. — „Ieder tijdvak in de geschiedenis der letteren, iedere dichter-school" schreef bij in 1882 in de inleiding tot Perk's Mathilde, „beeft haar eigen taal en haar wijze van baar innerlijk leven in beeld te brengen, die bepaald wordt door de bijzonderheid van tinten en trekken, associaties en wendingen, rhythmen en dichtvormen, die zij gedeeltelijk schept, gedeeltebjk van anderen, ouderen, overneemt. Van de inwendige kracht eener jonge dicht-school hangt het af, of zij het op den duur van een oudere winnen zal, door flink vol te houden en haar werk allengs en meer en meer , van natuurlijke fouten en overdrqving te reinigen en ontdoen". Men mag zeggen dat dit zuiveringsproces weldra zijn beslag heeft gekregen en de zgn. Nienwe-Gidsigheden waaraan trouwens Kloos zich nooit heeft bezondigd, weldra verdwenen zijn.

In dit verband, nu we spreken over het karakter van De Nieuwe Gids, moet gewaarschuwd worden tegen een dwabng die wel onuitroeibaar schijnt, want nog telkens verkondigt men haar met argelooze stelligheid. Het is deze dat de Nieuwe-Gidsers het leven zonden hebben miskend, en zich zouden hebben opgesloten in een onvruchtbaar aestheticisme; en men meent dan zijn bewering te staven door te herinneren aan de Nieuwe-Gids-leus van ,4'Art pour 1'Art". Er sou echter eerst vastgesteld moeten worden wat men onder leven heeft te verstaan. We zouden met meer recht kunnen zeggen dat het tijdschrift het leven juist aan de orde heeft gesteld, het hartstochtelijk heeft hef j gëbnd~en"n^hartstocKi^ beschreven, onderzocht en

I verklaard. Denken we o.a. aan de sociologische studiën van Van der Goes en P. L. Tak, de maatschappelijke oriënteering van Van Eeden, reeds in zijn Kleine Johannes, de haarfijne naspeuringen en indrukken van Jacobus van Looy en Lodewijk van Deyssel, en ook aan de lyriek van Kloos, die in haar wezen niets anders is dan de weergave van het psychisch leven dat hij het best kende: dat van hem zelf.

O Leven, zoet leven, 'k Heb u zoo bef gehad En met een innig beven Uw schoone lijf omvat!

1) Men vindt se bij Aletrino, Gorter, van Deyssel, Erena en niet te vergeten bij P. Tideman bij wien ze, toen ze al overwonnen waren, nog eens kortstondig zijn herleefd.

Sluiten