Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen vijf jaar bestond De Nieuwe Gids, toen verschillen in richting en karakter tot geschillen groeiden en de Nieuwe-Gids-afleveringen het beeld gingen vertoonen van een zeer levendige debat-vereeniging. Verwey was juist even te voren, in 1889, uit de redactie getreden, was in 1890 getrouwd en had Amsterdam voor Noordwijk verwisseld.

De groote oorzaak van de verdeeldheid was het socialisme, waartoe Van Eeden begon over te hellen, dat in Van der Goes een vurig voorstander had en Van Deyssel met Kloos eerst onverschillig bet, maar weldra, toen het de kunst dreigde aan te tasten, met afschuw vervulde. Had de strijd zich bepaald tot zakelijk-wetenschappelijke, sociale of politieke vraagpunten, hij zou niet zoo splijtend en vervreemdend hebben gewerkt. Maar het diepst-menschelijke werd er in gemengd, n.1. de kunst, de moraal, de bestemming van mensch en samenleving, het Christendom, het wezen van het bestaande, allemaal onderwerpen die gemakkelijk aanleiding geven tot misverstand, en dat te meer, wanneer onvoldoende kennis niet bij machte is de kwesties zuiver te stellen en er geen rekening gehouden wordt met de betrekkelijkheid van alle menschelijke weten en kunnen. Zoo gebeurde het, dat wat de een als Ideaal zag, door den ander werd verfoeid. Toch bleef de toon in de wederzijdsche bestrijding voorloopig nog vriendschappelijk. „Waarde Vriend", zoo richtte zich Van Deyssel tot Van der Goes in zijn artikel Gedachte, Kunst, Socialisme enz. (N. G. 1891 I, 249), waarmee hij zijn on-sociaal, zuiver aesthetisch beginsel stelde tegenover Van der Goes' sociabstisch toekomstbeeld, zooals deze dit geteekend had in Het Jaar 2000, de vertahng van Bellamy's „Looking Backward" .... „ik hou van u en ik acht uw literaire produkten hoog; èn: in geen tijden, neen ik geloof nooit niet, heb ik een boek gelezen dat mij zoo tot de afschuwelijkste walging toe met zure en bittere antipathie heeft gevuld als uw vertaling van Bellamy's ,In het jaar 2000'." Heel scherp zag de „individualist" Van Deyssel in, dat de edelste, de hoogste kunst een soort weelde is voor weinige zeer be» schaafden. Hij die wist, welke ontzaglijke kunstwerken in een nietsociabstisch verleden zijn tot stand gebracht, en welk een verfijning, verdieping en arbeid zelfs voor een groot kunstenaar de voorwaarden zijn om iets goeds te scheppen, twijfelde aan de stijging van de kunst in een genivelleerde toekomstmaatschappij: „Gij moet, vindt gij oók niet?, de menschen nemen zooals wij ze kennen. Het is wel mogelijk, dat over een milboen jaar de meerderheid der menschen zoo ontwikkeld is, dat lij het mooiste het mooist en het minder mooie minder mooi vinden. In bet plan mijner hier aanwezige redeneering past het,,

Sluiten