Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwijgend den strijd had aangezien, zijn geruchtmakend opstel Verleden, Heden en Toekomst, waarin hij op ondubbelzinnige wijze partij koos voor Van Deyssel, tegen Van der Goes en Van Eeden. Laatstgenoemde had al vroeger zijn belangstelling getoond voor zedelijke en maatschappelijke vragen (Verstand en Gevoel in de sociale Evolutie, 1890; Óver de Toekomst, 1891 I, bl. 1; Over Humaniteit, 1891, I, 315) en daarbij ten opzichte van Van Deyssel en Van der Goes een tusschenstelbng ingenomen. Even afkeerig van het loutere aestheticisme van Van Deyssel als van bet starre, praktische materialisme van den fanatieken Van der Goes, wendde hij rich hoe langer hoe bewuster tot een vaag en zwevend ethisch ideaal van algemeene menschenbefde. Het schijnt dat Kloos in een alles omvattende filosofische beschouwing het pleidooi heeft willen beslechten en tegelijk heeft willen lucht geven aan een allengs groeienden tegenzin tegen zijn mederedacteuren Van der Goes en Van Eeden, die naar zijn inzien de kunst in gevaar brachten.

Van alle deelnemers aan den strijd was Kloos, zoo nog niet de wijsgeerig rijp-ontwikkelde van lateren tijd, toch de meest wijsgeeriggeoriënteerde. Of, kon Van Eeden het hierin tegen hem opnemen, hij was de eenige die het om hem heen gebeurende, dus ook de kunst en de geschiedenis van den dag, zag onder het bcht van zijn metaphysische Idee, welke rich aansloot aan de filosofie van Schelling en in het groot hierop neerkwam, dat alles wat in de wereld is en geschiedt, dus ook het menschebjk bewustzijn en zijn werkingen, uitvloeisel is van het goddelijke-zelf, dat niet als een persoonlijke, onkenbare God buiten de natuur en dus transcendent bestaat, maar immanent, dus er in te denken is, en wel als een onkenbare Kracht, geen geest en geen stof, welke voortdurend schept, voortdurend werkzaam is: „Zijn Wil is het Noodlot en de Wereld rijn Daad, voortdurende Daad". Wat hierboven staat is eigenlijk meer een vertaling van Kloos' soms voor mij eenigszins duistere formuleeringen. Immers het Eenige dat is, noemt hij ook met den naam van „Gód", wat denken doet aan een persoordijk gedachte Almacht. „Voor dezen ,God'" zegt hij, „bestaan niet de woorden Goed en Kwaad; door zijn daden worden ze gelogenstraft", wat beteekenen moet, dat Gods daden, dus wat in de werebigeschiedt^ niet als kwaad of goed te beoordeelen is. Kwaad en goed zijn beperktmenschebjke begrippen, ze bestaan alleen in de nog niet verhelderde menschehjke gedachten en moeten vervangen worden door de woorden schoon of nuttig, en leelijk of scbadeUjk. „Voor den mensch als hij denkt, is alles schadelijk of nuttig. Voor den mensch als hij voelt, is alles,

Sluiten