Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„glorievol, maar toch even duurzaam en eerlijk verworven, als de „bevende aureool, die maar door weinigen gezien wordt, om de „hoofden van een stuk of wat andere auteurs. Maar de heer Van „Eeden heeft als kritikus en wijsgeer één groot gebrek dat tegelijk in „sommige omstandigheden rijn kracht is: hij denkt op het papier. Hij „denkt op het papier, dat wil zeggen, hij zet niet, na jaren lang dolens „door den wild opgroeienden tuin .zijner hersenbewegingen, het pure „resultaat van al dat gegroei en geleef voor den lezer, als ongekrenkte „bloemen in tastbare pracht. Hij denkt op het papier. Ik zoek naar „meeningen, maar vind er geene, en als ik er eindelijk een meen „gevonden te hebben, vernevelt zij weer langzaam onder mijn stadenden blik. God, dat Van Eeden toch eens zei wat hij wou!" è*

Van Eeden, geërgerd, over den, zooals hij het noemde, „vaderlijk beknorrenden toon", antwoordde in Juni 1891 met een stuk Aan Willem Kloos, dien hij aanspreekt als „Beste Vriend". Hij wenscht ongestoord rijn weg te gaan en zijn individuabteit te ontwikkelen. Hij wil óók het individualisme, maar het „altruïstisch individuabsme". Er is maar één ding waarvoor hij leeft. Dat is rijn God, dat is het Goede. De karakterteekening van zijn persoon acht hij mislukt door gemis aan kalmte. Het «tuk ,,Heden,| Verleden en Toekomst" erkent bij als „zeer fraai, maar het is onrijp als wijsheid, of de uiting van een hem niet sympathieke ziel". Nog eens verklaart hij rich een voorstander van ethiek in de Kunst („Ik voel de kwalificatie goed als een hoogere kwalificatie dan mooi:". „Voor jou schijnt dit begrip zinledig — en reeds voor lange jaren heb ik bespeurd en gezegd dat ik onder ons allen hiervoor de meest sensitieve scheen te zijn. Door jou heb ik leeren onderscheiden wat goede en slechte verzen zijn, wat mooi en I leelijk is — maar altijd, altijd heb ik het geweten dat er iets is waarin ik de artiest ben en jij de leek. Dit rust op zoo vaste, zoo reëele en zoo jaren lang doordachte sentimenten, dat ik dit durf zeggen met gelijke zekerheid als waarin jij het zelfde eens hebt kunnen zeggen tegen mij".) En hij eindigt heel vriendelijk: „Laat ons nu dan weer elk aan 't werk gaan en zoeken in vrijheid en oprechtheid de waarheid die is — in ons zeiven, — en blijf vooral gelooven aan mijn oprechte en onveranderlijke vriendschap; Van Eeden, Juni 1891".

De theorie van de ethiek was gemakkelijker dan de praktijk. Weldra bleek dat het ruiterlijke woord van verzoening aan het slot van den brief aan zijn „Beste Vriend" weinig meer dan een frase was; anders bad hij niet een half jaar later, zonder dat er iets onaangenaams was voorgevallen, door de bekende Lieven Nijland-mystificatie getracht,

Sluiten