Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kroniek was verschenen, had in het begin tegen de uitbreiding van onzen kring geen bezwaar gemaakt". Deze voorstelling van zaken is op zijn zachtst genomen misleidend. Het is waar; er is één jaargang waarin Kloos niets heeft bijgedragen; het is die van 1892, juister gezegd, van October 1891 tot October 1892. Maar de jaargang 1892—1893 waarover Van der Goes spreekt, bevat zooveel van Kloos, vooral verzen, dat het heusch niet noodig was het tijdschrift te redden. De letterkundige kroniek waarop Van der Goes doelt, een kort stukje, begint zoo: „Als er wat te zeggen is, heusch wat te zeggen is, komt dankbaar en bescheiden, maar ernstig en nadrukkelijk, de literaire kroniek". Kloos schijnt «ich te verdedigen tegen aanmerkingen van anderen die klaagden over te geringe werkzaamheid van den kroniekschrijver. Ik heb mij de moeite gegeven, precies na te gaan, wat er in de jaren 1890 tot en met 1893 in ons land aan poëzie en proza is verschenen. Men zie de bijlage achter in dit boek. Iedereen kan rich daardoor gemakkelijk overtuigen van déze waarheid: er werd in 1892 in ons land nagenoeg niets geschreven wat de moeite van bespreking waard was en Kloos had ten volle gelijk met zijn verzekering, dat hij kritiseeren zou als er heusch iets te zeggen was.

En nu de „enkele verzen". In het eerste halfjaar, tusschen Oktober 1892 en April 1893, publiceerde Kloos 5 bladzijden fragmenten van Sappho, in het tweede halfjaar van April tot September 14 bladrijden Okeanos, het dramatisch fragment Rhodopis en twee en twintig lyrische gedichten, waaronder twintig sonnetten. Het is waar, verschillende van deze gedichten waren reeds gedrukt geweest, nl. Rhodopis (in Nederland) benevens dertien sonnetten, die een tiental jaren vroeger in de sindsdien opgeheven bladen de Nederlandsche Spectator en Astrea waren verschenen, nl. de sonnetten 70, 71, 72, 73, 76, 77, 78, 79, 84, 85, 86, 87, 88 volgens de nummering in Verzen I. Maar de negen andere waren nieuw. Oók Sappho en Okeanos, die respectieveüjk in 1882 en 1883—'84 geschreven maar nog in portefeuille gehouden waren. Wat blijft er dus over van de beschuldiging van Van der Goes? Hij had beter kunnen wijzen op den jaargang van 1892, want tusschen October 1891 en October 1892 beeft Kloos inderdaad niets geschreven. Maar een dichter is geen kantoorklerk of dagbladreporter, die op gezette tijden produceert. Zijn werkzaamheid is van stemming en inspiratie afhankelijk. Ah» men de jaargangen sinds de oprichting van De N. Gids nagaat, ziet men, dat er, wat bij een lyrisch dichter niet te verwonderen is, sinds 1885 voortdurend perioden zijn geweest van stUh afwachting. Zoo vindt men in de jaargangen 1886—'87, 1887— 88,

Sluiten