Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij namen het zoo hoog op dat twee hunner, Van Eeden en P. L. Tak, den 28sten April verklaarden, het volgend jaar geen deel meer te kunnen uitmaken van de redactie en zich alleen als medewerkers wenschten beschouwd te zien. Dit wil dus zeggen, dat zij braken met Kloos. Het was een verkapte oorlogsverklaring. Van der Goes bedankte niet: De Nieuwe Gids vond hij immers de geschiktste tribune ter verbreiding van zijn sociabstische beginselen. Hij noteerde dan ook na de vergadering: „Heb mijn redacteurschap voor politiek gereserveerd". Deze tegenkanting, mèt de onderlinge afspraak van zijn „vrienden" om een ander in de redactie te halen, omdat Kloos zijn pbcht niet heette te doen, hebben den nerveusen, trotschen dichter hevig gegriefd. Hij, die in zijn jeugd veel leed had te doorstaan, die in lijn eerste mannenjaren door schampere critiek van toonaangevende ouderen was gedwarsboomd en eindelijk, door het stichten van De Nieuwe Gids, zich de gelegenheid had veroverd om zich zelf te lijn en daarmede de Nederlandsche literatuur te dienen naar zijn beste krachten; de teerbesnaarde, die in een kring van verwante, ideabstisch-gestemde jongeren de vertrouwelijke sfeer had gevonden, waarin zijn persoonlijke kunst gedijen kon, zag nu zijn eigen mede-redacteuren tegen zich samenspannen. Van der Goes was de drijver, dat wist hij, maar Van Eeden zat er achter, de zelfde Van Eeden die zoo vriendelijk en tegelijk zoo achterbaks-gemeen kon doen. Het psychisch proces voltrekt zich nu heel snel en onweêrhoudbaar: de ontgoochebng wordt tot weerzin, de weerzin tot haat, en hij lucht dien, recht op den man af, in een paar felle Sonnetten (Vz. No. 69 en 89). Het eerste heet Christus na 't verraad en is waarschijnlijk van Jub 1893 x). De opdracht „Voor P. Tideman" toont aan dat hij reeds toen bevriend was met het jonge beethoofd, dat later nog in de geschiedenis van De Nieuwe Gids een belangrijke rol zou spelen. Het is wel duidelijk dat bet gedicht gemunt is op Van Eeden:

O, Judas-kus! verdoembre Judas-kus! Gij, week-zoet op mijn bppen, als een fijn Venijn, dat druipt fel op het week satijn Van mijnen rooden mond .... Ai! bittre kus,

Judas, uws monds, die spuwt den gruwbren wijn Uws haats, — dien ge ingedronken hebt met lust — Met gier'gen lust — o God, kan dat zoo zijn! — Op mijn arm hart, schrei-schietend uit zijn rust.

1) Het staat nl. in den jaargang 1893, 2e deel blz. 280.

Sluiten