Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk VII—HOE DE VRIENDEN KLOOS BEOORDEELDEN — ZIJN LETTERKUNDIGE BETEEKENIS EN ZIJN UITERLIJKE VERSCHIJNING

KLOOS heeft meer dan eens gezegd dat het een onbegonnen werk is, het eigenlijk geniale te willen verklaren. Het wezenlijke, dat, waardoor het genie zich van de gewone menschen onderscheidt, is niet af te leiden uit afstamming of levensomstandigheden en blijft een onoplosbaar raadsel. De omstandigheden en de erfelijkheid kunnen ons hoogstens duidelijk maken, waarom bet genie zich in dézen of dién vorm openbaart. Daarom zal bet ook een geheim blijven, hoe een eenvoudig Amsterdamsen student, onder wiens voorouders slechts talenten voorkwamen, zooals er vele zijn, door het lot bestemd kon wezen om de voorganger te worden van een geheel nieuwe teelt van jonge kunstenaars, de bteraire kritiek te heffen op het peil waar zij behoorde en een lyriek te scheppen die in ons land zonder weerga was.

Als een machthebber is hij gekomen, omstraald door de glorie van zijn meesterschap. Welk een indruk maakte hij op zijn tijdgenooten die dichters waren (dichters in den ruimsten zin genomen)! Iets machtigs en hoogs en onweerstaanbaar echts kwam hun tegen uit de weinig verzorgde verschijning van dien stillen, zwijgenden Bohémien1). De schilder Isaac Israëls heeft eens, met een voorbefde voor opvallende termen, gesproken van zijn grandioze andatuur. Hij had ook kunnen

1) Dr. Aegidius Timmerman vertelt in rijn seer onderhoudend geschreven herinneringen: Kloot alt Vriend (N. Gids 1929, bhs. 549) dat iemand, toen Willem nog geen literairen naam had, hem op minachtenden toon vroeg: „Wie is toch die man — hij bedoelde sjappie — waarmee ik je telkens rie loopen?" en hij hem afbekte met het gelukkig inslaande antwoord: „Dat is een van de vele schooiers, die ik de eer heb mijn vrienden te noemen".

Sluiten