Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewagen van zijn fijne, teêre handen, zijn lichtblauwe droomende oogen die staren in de diepten achter het dagelijksche leven. Er leefde iets achter die peinzende oogen dat straks kon uitbloeien tot iets verrassend-schoons. Dat wisten zij bij ondervinding en daarom achtten en bewonderden zij hem. Niet slechts zijn kritische opstellen, waarin hij vonniste en prees met onweersprekelijk gezag, maar vooral zijn verzen, zijn sonnetten, ontstaken in ben een geestdriftige vereering waaraan zij zich koesterden als aan een wei-doend vuur. Geen wonder: hij deed voor hen in vervulling gaan wat zij niet meer dachten dat mogelijk was, wat zij alleen kenden uit hun aanraking met de buitenlandsche letteren: het ware dichterschap. Dit ideaal zagen zij in Willem Kloos bebchaamd. Dat hij zich in kleeding en physionomisch uiterlijk aan de conventie niet stoorde, maakte hem vooral niet minder belangwekkend. Het ongewone in zijn verschijning, zijn achtelooze kleeding, zijn lange haren, pasten bij hem, want hij was een dichter, niet een koopman, of een predikant die wel eens een vers maakte. De Franschen hadden hun Baudelaire, hun Verlaine en hun Rimbaud; zij hadden hun Willem Kloos die zich zonder blozen naast die meesters stellen kon. En hun bewondering werd nog aangewakkerd door de onverschilligheid en geringschatting die Kloos ondervond van eenige toonaangevende ouderen, als b.v. Mr. J. N. van Hall, den Redacteur van De Gids en wethouder van onderwijs, die, ondanks een aanbeveling van een gezien man als de letterkundige en historicus Dr. Doorenbos, het gedicht „Rhodopis" weigerde en later Kloos' eerste sonnetten in zijn tijdschrift parodieerde. Kloos was voor het jonge schrijvende Nederland een verlosser en brenger van ongekende verrukkingen. Geen onder hen, die zich aan zijn betooverende macht onttrekken kon, niemand van beteekenis onder de kunstenaars van dien tijd, die niet in de eerbiedigste bewoordingen van zijn dankbaarheid of zijn vereering heeft getuigd, en wij weten dat we zéér onvolledig zijn als we in dit verband de namen noemen van Lodewijk van Deijssel (Karei Alberdingk Thym), Albert Verweij, Alphons Diepenbrock, Jacobus van Looy, Jan Hofker, Louis Couperus, Dr. Aletrino, Hélène Swarth, Hein Boeken, Maurits van der Valk.

Bij Van Deijssel werd die bewondering een hartstochtelijke „heroworship". Sinds hij in 1883 Kloos persoonbjk bad leeren kennen, is zijn sympathie onverzwakt gebleven en al spoedig gestegen tot een geestelijke befde, zoóals men ze in verhouding van mannen onderbng slechts zelden ontmoet en nog schaarscber vindt uitgesproken. De befde die Montaigne zijn vriend De la Boétie toedroeg, wordt een flauw schijnsel

Sluiten